Commanderij en gasthuizen vanaf 1200

Arnhem rond 1580
Uit: Aernout van Buchell / Arnoldus Buchelius (1565-1641), Diarium.
© Universiteitsbibliotheek Utrecht, Hs 798, foto Gelders Archief

Sint Petersgasthuis
© Omroep Gelderland, Ridders van Gelre, 3,5 minuut..

In de tweede helft van zestiende eeuw tekende Aernout van Buchell (Arnoldus/Aernout Buchelius) de negen belangrijkste gebouwen van de stad.
Op de tekening zijn de windrichtingen gedraaid: beneden is het noorden en rechts het westen.  Uiterst links ligt de Walburgiskerk en daarnaast, iets naar beneden, de Grote of Eusebiuskerk.
Rechtsonder is de St. Janskerk getekend. De kerk hoorde bij de Commanderij van St. Jan, een orde van middeleeuwse hospitaalridders. Niet alleen deze ridders zorgden voor de zieken. Rechtsachter de Janskerk staat het St. Petersgasthuis, één van de drie gasthuizen van de stad.

Zorg door hospitaalridders
De ridders van St. Jan waren in het leven geroepen om gewonde en zieke kruisvaarders naar en van Jeruzalem te verzorgen. Zo had Graaf Otto I van Gelre, die in 1189 op kruistocht ging, met hen kennisgemaakt. Hij gaf hun een deel van zijn Arnhemse grond. In de loop der tijd groeiden de Arnhemse bezittingen van de ridderorde steeds meer. Gronden en molens langs de Jansbeek leverden de ridders inkomsten op.

Commanderij van St. Jan, 1640.
© Gelders Archief 0306TK91, PD.
Plaquette Commanderij van St. Jan
in appartementenportiek Janslangstraat.
© Jan de Vries, 2008.

Met een straatje, de huidige Doelenstraat, wordt het Commanderijcomplex gescheiden van de ‘Stads Wal’. De straat ten zuiden van het ommuurde riddergebied heet St. Jansstraat, nu Ruiterstraat. De huizen voor de ridders worden omgeven door de voorste (bij de kerk) en achterste tuinen (‘garden’). Blikvanger is de Janskerk, die in de 18e eeuw een bouwval wordt. In 1817 is de kerk gesloopt. Twintig jaar later wordt hier de Koepelkerk gebouwd.

Een plaquette in een portiek aan de Janslangstraat geeft vandaag de dag een vrije, niet geheel juiste, interpretatie van dit ‘staatje in een staat’. Want dat is het: het stadsbestuur heeft niets te vertellen over deze ridderenclave.

Zo’n 100 jaar na de stichting van de Commanderij, in 1315, gaf graaf Reinoud I van Gelre grond aan uit Tiel gevluchte kerkheren. Dit zijn ‘wereldlijke geestelijken’. Ze leven samen, zoals in een klooster, maar hebben geen kloostergelofte afgelegd. Deze kanunniken begonnen met de bouw van een kerk die rond 1370 klaar was: de Walburgiskerk.
De Walburgiskerk is de oudste nog bestaande kerk van Arnhem, want de Grote of Eusebiuskerk is vanaf 1452 gebouwd. De voorganger van de Eusebiuskerk, de Maartenskerk, moest daarvoor wijken. Net als het terrein van de Commanderij was het gebied van het Walburgiskapittel een ‘immuniteit’. Het stadsbestuur had er geen zeggenschap over.

Zorg door burgers
In de stad kwamen steeds meer kerken en kapellen. De ridders van St. Jan namen namelijk hun verzorgende taak niet erg serieus. Ze waren met veel te weinig en officieel zorgden ze niet voor burgers, maar voor de kruisridders. De dagelijkse zorg voor zieke en oudere Arnhemmers kwam in handen van de gasthuizen. Daarvan waarvan er drie in Arnhem: het Sint-Catharina Gasthuis (voor 1246), het Sint-Anthonie Gasthuis (1395) en het Sint-Petersgasthuis (1401). De ziekenverblijven werden gebouwd met een kapel, waarvan de torens boven de daken van omliggende huizen uitstaken. De achterzijde van het Sint-Petersgasthuis, te zien vanaf de Oeverstraat, is het enig overgebleven voorbeeld daarvan. Het werk van de drie gasthuizen is in de stad zelf nog steeds prominent aanwezig. In een moderne bestuursvorm verricht de DrieGasthuizenGroep ook in deze tijd haar verzorgende werk.

Herinneringsplaatsen
Jansplein
St. Petersgasthuis
Drie GasthuizenGroep
Jansbeek, Janspoort, Jansstraat, Jansplaats, Jansplein, St. Catharinaplaats, St. Peterlaan, Noord-, Oost-, Zuid- en West-Peterstraat, St. Antonielaan, Gasthuisstraat, St.-Petersgasthuis, Rijnstraat

Hofcomplexen van de Gasthuizen: Catharijnestraat (hof van St. Petersgasthuis), Maria van Gelrestraat, Heemskerckstraat, Stadhoudersstraat

St. Petersgasthuis
De achterzijde van het St. Petersgasthuis laat nog steeds haar middeleeuwse karakter zien.
© Jan de Vries, 2007.


Volksbadhuis, West-Peterstraat

Het Volksbadhuis aan de West-Peterstraat in 1911.
© Gelders Archief: 1523 – 117-0018, fotograaf Emil van den Kerkhoff, Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij).

Volksbadhuis
In de wirwar van Peterstraten en voetgangersdoorsteken tussen de Hommelseweg en de Klarendalseweg staat het Volksbadhuis. Het gebouw valt letterlijk mooi uit de toon tussen de andere woningen die, als gevolg van verschillende saneringsgolven in de 20e eeuw, hier zijn gebouwd. De trapgevel en de gevelnaam verraden een bijzondere geschiedenis.
Hier kon je in de tijd dat de woonhuizen zelf nog geen douche- of wasgelegenheid hadden een ‘regenbad’ nemen. Voor vier cent mocht je douchen en je kreeg er dan een stukje zeep en een handdoek erbij. Wel na het betalen van de toegangsprijs bij badmeester Wim Timmermans: mannen rechtsaf en vrouwen linksaf. Wie te lang douchete werd met koud water uit de brandslang tot spoed gemaand.

Overzicht

Naam: Volksbadhuis 
Adres: West-Peterstraat 26, 6822 AA Arnhem
Bouwjaar: 1890
Stijl: voorgevel met neorenaissance elementen
Architect: Jan Hendrik Persijn (1842-1910), Arnhem.
Renovatie: 2009-2010, verbouw tot wooncomplex
Gebruik in het verleden:
1890-1984: badhuis
1984-2009: verenigingsgebouw o.a. bingobijeenkomsten en postduivenvereniging De Snelpost.
2010-: studentencomplex

Geen stromend water, geen douche
In de tweede helft van de 19e eeuw waren de hygiënische voorzieningen in Klarendal en andere arbeiders- en sloppenwijken ronduit beroerd. Geen riolering, maar een open goot die langs of over de straat regenwater en al het vuil moest afvoeren. Geen stromend water in de huizen, maar openbare pompen waar iedereen uit de buurt water moest halen. Uitbraken van besmettelijke ziektes als cholera, difterie en tyfus eisten in verschillende jaren tientallen dodelijke slachtoffers. De liberale gemeenteraad was wars van elk overheidsingrijpen. Ondergrondse rioleringsplannen werden tegengehouden, omdat deze te duur zouden zijn en omdat dit niet paste bij het liberale standpunt: niet de overheid, maar de burgers zelf dienden verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van wonen en werken.

Stinkende open goot als riolering
Bron: Algemeen verslag omtrent den toestand der Arbeiderswoningen te Arnhem.
Arnhem 1871 (Uitgave van de Geneeskundige Raad van Gelderland en Utrecht en gedrukt bij G. J. Thieme te Arnhem), p. 7.

Wordt vervolgd

Stadsrechtenbrief, 1233 na Christus

Beginregels stadsrechtenbrief Arnhem, 13 juli 1233
Het originele stadsrechtprivilege is verloren gegaan, wel is dit zestiende-eeuwse afschrift bewaard gebleven.
© Gelders Archief, Oud Archief Arnhem,  2000-4632, PD.

Dronevlucht´ door het virtuele middeleeuwse Arnhem
© 3d Arnhem

“In naam van de heilige en ongedeelde Drie-eenheid. Amen.
Ik, Otto, graaf van Gelre en Zutphen, (…) heb van de plaats Arnhem een stad gemaakt en daaraan alle vrijheid verleend, opdat deze stad en de mensen die erin wonen en erin zullen wonen, zich in vrijheid mogen verheugen…”.

Zo verleende graaf Otto II op 13 juli 1233 stadsrechten aan Arnhem. In de stadsrechtenbrief werd bepaald dat Arnhem een eigen bestuur kreeg: twaalf schepenen (te vergelijken met huidige wethouders) en twee burgemeesters.

Middeleeuwse stad
In de twaalfde en dertiende eeuw groeide de nederzetting Arnhem sterk. Het gebied bleef echter opgedeeld tussen de graaf van Gelre, voorheen Hamaland, en de kloosters van Prüm en Elten. Graaf Otto II ergerde zich eraan dat hij niets te zeggen had over het domein en de bewoners van het klooster van Prüm. Zo kon hij niet optimaal profiteren van de groei van Arnhem. Hij schonk daarom in 1233 zijn deel van de nederzetting stadsrechten. Naast een eigen bestuur zou de graaf ook geen belastingen meer zonder toestemming van de burgers heffen. Dat sprak de Arnhemmers wel aan. Binnen vijftig jaar moest het klooster van Prüm ook buigen voor de opkomende burgermacht.

De graaf zorgde er wel voor dat hij verdiende aan de stad. Hij benoemde de voorzitter van de rechtbank, de richter. Die moest rechtspreken volgens de aanwijzingen van het stadsbestuur, maar de geïnde boetes gingen naar de graaf. Een rentmeester zorgde ervoor dat de bestaande belastingen in de vorm van tollen en accijnzen ook bij hem terechtkwamen. De graaf was wel goed, maar niet gek.

Bij een echte middeleeuwse stad horen ook stadsmuren en poorten. De Sabelspoort is de enig overgebleven stadspoort uit de middeleeuwen. De Rijn-, Jans- en Velperpoort zijn in de eerste helft van de 19e eeuw gesloopt. Van de stadsgracht zijn de singels een herinnering en de nog steeds fraaie Lauwersgracht.
De Sabelspoort (van ‘sable’ = zand) toont alle facetten van het middeleeuwse Arnhem: stevige ronde muren, kantelen, de namen van twee burgemeesters en het stadswapen.

Sabelspoort
© Jan de Vries, 2008.

Bestuursmacht en stadsbranden
De burgemeesters en de schepenen kwamen vooral uit de twee belangrijkste families van de stad: Van Arnhem en Van de Gruythuis. De ambachtslieden en handelaren waren niet blij met de machtspositie van deze oude rijke families. In 1406 liep een machtsgreep echter op niets uit. Vijftig Arnhemmers verloren het burgerrecht en zij kregen dat pas terug toen zij beloofden nooit meer in opstand te komen.
Tot 1350 was landbouw voor de 2.500 inwoners van Arnhem het voornaamste middel van bestaan. In de stad stonden veel boerderijen, moestuinen, stallen en varkenshokken. De huizen van hout, riet en stro waren erg brandgevaarlijk. Grote stadsbranden braken uit in 1364, 1419 en 1422. Het stadsbestuur probeerde aan dit gevaar een einde te maken door gratis stenen dakpannen uit te delen. De bevolking groeide gestaag door tot zo’n drieduizend rond 1500.

De Arnhemse dubbele adelaar
Bij een stad hoort een stadswapen. Dit teken wordt, behalve op de toegangspoorten van de stad, ook aangebracht op besluiten en brieven. Hier werd een zegel voor gebruikt, waarvan de oudste uit 1281 is. In spiegelschrift staat ‘Sigillu(m) Burgensium de Arnem’, het zegel van de burgers van Arnhem. De geelkoperen stempel werd gedrukt op vloeibare was of lood, waarmee de brieven werden verzegeld. De tweekoppige adelaar zou verwijzen naar de oorspronkelijke naam van Arnhem, Arendsheim of Arnoldsheim. De dubbele arend is een veelgebruikt symbool. De wapens van Gelderland en Duitsland dragen ook de tweekoppige roofvogel.


Stadsstempel Arnhem
© Museum Arnhem / Gelders Archief D 2001-03 GM3984.

Vitesse, Arnhem 1892
© Vitesse Arnhem.

Herinneringsplaatsen
Sabelspoort
Historische Kelders Rijnstraat
Graaf Ottoplein, Tullekenssteeg,
Schepen Te Boeckop Pad

893 n. Chr.: Arneym

Eerste schriftelijke vermelding van Arnhem.
Arneym als eerste schriftelijke vermelding in 893 n. Chr. in een goederenlijst van het klooster Prüm in de Eifel, Duitsland.
Prümer Urbar van 893 n.Chr. in een handgeschreven kopie uit 1222.
© Landeshauptarchiv, Koblenz.

De eerste schriftelijke vermelding van Arnhem als plaats dateert uit 893. Arnhem en omgeving was in het bezit van de benedictijner Sint-Salvatorabij in Prüm in de Duitse Eifel.

Arneym 893
De vertaalde Latijnse tekst luidt:

In Arnhem is een kerk die 1 pond tijns betaalt.
Daar bevinden zich 7 laathoeven; elke hoeve betaalt op St. Maarten 20 denariën, 2 mud rogge, 4 karren hout, met Pasen 1 kip en 5 eieren, op biddagen 2 varkens ter waarde van 5 denariën, met Pinksteren 6 denariën; in mei ’14 dagen’, in augustus evenzo.
Er zijn ook halve hoeven, die de helft aan tijns betalen met uitzondering van Pinksteren, waarop zij de 6 denariën niet hoeven te betalen; in Velp zijn 3 1/2 hoeven, die behoudens het 4de deel van de graanoogst niets aan tijns betalen. Op de Veluwe en in Monnikhuizen zijn 5 woeste hoeven.

Uit: Schulte, A.G., De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad.
Utrecht 1994 (Uitgeverij Stichting Matrijs), p. 35.

Woordenlijst

Bron Verklaring
pondgewichts- of munteenheid
tijnsbelasting (cijns, accijns)
laathoeveboerderij van een horige; een halfvrije boer
hoeveboerderij
denariën(zilveren) muntstukkem
mud(oude) inhoudsmaat; nu één hectoliter
halve hoeveboerderij met een grondoppervlak van ongeveer 8 hectare (= 80.000 vierkante meter= ongeveer 12,5 voetbalvelden)
biddagdag van algemeen georganiseerd gebed;
de biddag voor het gewas (bidden dat er een goede oogst zal zijn) is in maart.
Naast de biddagen zijn er ook de dankdagen. In oktober of november is er de dankdag voor het gewas (en de arbeid).
St. Maarten11 november; de kerkelijke feestdag van Sint Martinus/Sint Maarten
woestgrond die nergens voor gebruikt kan worden; nog te ontginnen gebieden;
Op de Veluwe en bij Monnikhuizen waren dat vooral heide-, zand- en bosgebieden.
De Karolingische vorsten Pepijn/Pippijn de Korte en zijn zoon Karel de Grote (vanaf 800 keizer) schonken de abdij in Prüm veel grond. Ook maakten zij de bouw van een kerk mogelijk. Op deze miniatuur dragen zij die kerk op aan Jezus Christus. Daar dankt het klooster zijn naam: Jezus de Verlosser (Latijn: ‘Salvator’) wordt Sint-Salvatorabdij.
Prümer Urbar van 893 n.Chr. in een handgeschreven kopie uit 1222, folio 1, voorblad.
© Landeshauptarchiv, Koblenz.

Inhoud en betekenis van de bron
De oorspronkelijke bron is in het Latijn opgesteld, wat laat zien dat door de taal de Romeinse cultuur voortleeft in het middeleeuwse Europa. Ook zien we dit aan de ‘denarius’; een van oorsprong Romeinse zilveren munt.
Zowel de bron als Arnhem zijn in het bezit van een klooster. Godsdienst, in de vorm van monniken in een klooster, neemt dus een belangrijke culturele plaats in. We zien het belang van de godsdienst ook aan de vermelding in de bron van de verschillende kerkelijke feestdagen (Pasen, Pinksteren) en de biddagen. Het expliciet noemen van St. Maarten zou erop duiden dat de in de bron genoemde kerk de St. Maartenskerk in Arnhem is (in 1452 opgegaan in de Grote of Eusebiuskerk)
Er moet zowel belasting in natuur als in munt betaald worden, wat betekent dat er een gemengde naturale/geldeconomie bestaat. De ‘natuureconomie’ zal overheersend zijn geweest, want van echte handel is nog geen sprake.

Arnhem is rond 900 een onderdeel van het hofstelsel (domaniale economie). Het klooster Prüm kan worden gezien als het verblijf van de heer en Arnhem e.o. als het grondgebied met een hof van waar het bestuur over de goederen plaats vindt en de bezittingen (land, boerderijen) zelf. In Arnhem moet het ‘hof van Prüm’ tussen de Grote of Eusebiuskerk en de Beekstraat (Jansbeek) gelegen hebben. De pastoor van de (Maartens)kerk trad op als beheerder van de kloosterbezittingen.

Het hofstelsel kent het systeem van ‘horigheid’: boeren die aan de grond en het hof zijn gebonden en diensten en producten leveren aan het hof en de heer. De laathoeve duidt hierop, evenals de betaling van belastingen en de horige diensten: ’14 dagen’ werk in de drukke maanden mei en augustus.

Dat monniken zich bezig hielden met ontginningen maakt de bron ook duidelijk; mansa absi wordt door Schulte (1994) vertaald als woeste hoeve; bij Verkerk ( p. 10) als ontginningshoeve. Schulte (1999) spreekt van ‘een verlaten hoeve in een ontginningsgebied’.

Arneym 893; de oorspronkelijke bron in het Latijn

Est in Arneym ecclesia I que solvit libram I, mansa ledilia VII.
Solvit unusquisque ad festivitatem cancti Martyni denarios XX, de sico modios II, ligne carradas III, ad Pascha pullum I, ova V, ad Rogationes procos II, valente denarios V, ad Pentecosten denarios VI, in mense Maio XIIII dies, in autumno similiter.
Sunt etiam mansa dimidia VI qui medietatem unusquisque solvit, nisi ad Pentecosten denarios VI non solvit; et in Willipe sunt mansus II unde nullum censum exit, nisi quarta pars annonae, et in Velide et Munihchusen sunt mansa V absa.

Uit: Prümer Urbar

De Latijnse tekst is op verschillende plaatsen te vinden:
Het meest gebruikt wordt:
Sloet, L.A.J.W. Baron, Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288.’s Gravenhage 1872-1876 (Uitgeverij Martinus Nijhoff), Oorkonde nr. 66.

De tekst uit Sloets oorkondenboek is (met aangepaste interpunctie e.d.) overgenomen in:
Verkerk, C.L., Arnhem van koningsgoed tot stad.
In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983). Arnhem. Acht Historische Opstellen.
Arnhem 1983 (Uitgeverij Gouda Quint BV), pp. 1-40 ; pp. 34, noot 44.

Literatuur
Aalbers, P.G., Justitiae Sacrum. Zeven eeuwen rechtspraak in Arnhem.
Utrecht 1998 (Uitgeverij Matrijs), pp. 18-21.

Haans, F.A.C. & Frank, C.J.B.P., De ondergrondse stad. Een tocht door de Arnhemse kelders.
Utrecht 2003 (Uitgeverij Matrijs), pp. 12-15.

Schulte, A.G.. De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad.
Utrecht 1994 (Uitgeverij Stichting Matrijs), p. 35.

Schulte, A.G. & Schulte-van Wersch, C.J.M., Monumentaal groen. Kleine cultuurgeschiedenis van de Arnhemse parken.
Utrecht 1999 (Uitgeverij Matrijs), p. 33.

Sloet, L.A.J.W. Baron, Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288.
’s Gravenhage 1872-1876 (Uitgeverij Martinus Nijhoff), Oorkonde nr. 66.

Verkerk, C.L., Arnhem van koningsgoed tot stad.
In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983). Arnhem. Acht Historische Opstellen.
Arnhem 1983 (Uitgeverij Gouda Quint BV), pp. 1-40; pp. 9-12, 34.

Verkerk, C.L., Machten in het middeleeuwse Arnhem.
In: Manheim, R. (red.), Arnhem na 750 jaar.  Machten, ervaringen, toekomsten.
Arnhem 1983 (Uitgeverij Gemeentemuseum Arnhem), pp. 4-10; p. 5.

Verkerk, C.L., Bestuur, rechtspraak en onderwijs in de middeleeuwen.
In: F. Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700.
Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), pp. 42-91, pp. 47-49.

Limes en castellum, 40 – 400 na Christus

Tabula Peutingeriana met limes en Castra Herculis
© Nationalbibliothek Wien, PD.

Limes en ´Castra Herculis´
© Arnhem 3D (7 minuten)

Castellum bij Arnhem
© Spannende geschiedenis Gelderland (2.30 minuut).

Op de ‘Tabula Peutingeriana’ staan de belangrijkste wegen van het Romeinse Rijk aan het begin van de vierde eeuw na Christus. Onder de ‘R’ van ‘FRANCIA’ (Frankenland) ligt op de limes, naast Noviomagi (Nijmegen), ‘Castra Herculis’. Sinds de ontdekking in 1979 van de resten van een Romeins legerkamp in Meijnerswijk hebben historici jarenlang de overtuiging gehad dat dit Castra Herculis moet zijn geweest. De laatste jaren heeft de twijfel weer toegeslagen, omdat de ligging en grootte van het soldatenkamp niet overeenkomen met informatie uit andere bronnen.

Limes en castellum
De Romeinen bouwden langs de noordgrens van hun immense rijk honderden legerforten die met een grensweg, de ‘limes’, met elkaar verbonden waren. In het Park Lingezegen bij de Schuytgraaf zijn van die weg resten gevonden.

De Romeinse generaal Germanicus liet in Meijnerswijk rond 40 na Christus ook een castellum bouwen. Waarschijnlijk diende het legerkamp als voorpost om de Drususgracht te beschermen. De Drususgracht zou de oude IJsselbocht bij Arnhem met de voormalige Rijnbocht bij Driel hebben verbonden.

Het legerkamp bij Arnhem bezat de klassieke indeling van een castellum: het fort werd doorsneden door een Romeinse legerweg. Castra Herculis vormde een tussenpost tussen de legerplaatsen Nijmegen-Noviomagi en Kesteren-Carvone. Vanuit de noordelijke hoofdpoort (porta praetoria) kwam men op een binnenplaats. Daar stonden de tenten en houten barakken van de gewone soldaten. Midden op het terrein bevond zich het stenen hoofdgebouw (principa), het onderkomen van de commandant en de belangrijkste officieren. Het hoofdgebouw bestond uit een binnenhof, een dwarsgelegen hal (basilica) en vijf tot zeven vertrekken daarachter. Een grote houtskoollaag in het castellum wijst op een grote brand rond 69-70 na Christus. Dit was de tijd van de Bataafse opstand onder leiding van Julius Civilis, die diverse legerplaatsen in brand stak.

Steen van het castellum, ca 220 n.Chr.
© Museum Arnhem.

‘Wij , trouwe soldaten, waren hier!’
Een gave tufsteen met de inscriptie LEGIMPF is het fraaiste overblijfsel van de Romeinse legerplaats in Meijnerswijk. De afkorting staat voor ‘LEGio I M(inerva) P(ia) F(idelis)’; het eerste legioen met de bijnaam Minerva, deugdzaam en trouw. Minerva is de Romeinse versie van de Griekse godin Pallas Athena, symbool van moed en slimheid en beschermvrouwe van de strijdende soldaten. Het is rond 220 na Christus dat het legioen onder deze slagzin de grens van het Imperium Romanum verdedigt.

Halsketting uit de Romeinse tijd , ca 200 n.Chr.
In de Schuytgraaf werd een complete halsketting met prachtige glazen kralen gevonden. Een cadeau van een Romeinse legionair aan een Bataafse geliefde?
© Gemeente Arnhem / Dienst Stadsbeheer

Rond 260 verlieten de Romeinen het legerkamp. In Castra Herculis (Meijnerswijk?) keerden zij in 359 weer terug. Dit als een onderdeel van een grotere militaire operatie om een zevental legerplaatsen langs de Rijngrens te versterken. De houten omwalling vervingen zij door een stenen muur. Bij de opgravingen van het castellum in Meijnerswijk is deze echter niet aangetroffen. Dit versterkte de twijfel rondom de naamgeving van het kamp: is Meijnerswijk nu wel of niet Castra Herculis?

De Romeinen verlieten definitef de legerkampen aan de Rijn in 400 na Christus. Met de verhevigde aanvallen op de stad Rome door Germaanse en Aziatische volken werden alle legereenheden aan de grens terug naar de hoofdstad geroepen.

Herinneringsplaatsen
Park Lingezegen (limes)
Polder Meijnerswijk (castellum)
Romeinse tuin bij de Steenen Camer

Twee verdedigingslinies ineen
Nu kijken in beton gegoten Shermantanks, in de jaren vijftig een onderdeel van de IJssellinie, neer op de plek waar eens de grens, de limes, van het Romeinse rijk werd verdedigd.
© Jan de Vries, 2008

Een nieuwe geschiedenis van Arnhem

Canon in boekvorm, 2008 (2e druk 2009)
De canon is ook digitaal gepubliceerd op mijngelderland.nl

In 2008 verscheen in boekvorm en op deze website ‘De canon van Arnhem’. Dit verhaal over het verleden van Arnhem was gebaseerd op de canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom (2006).
In 2020 publiceerde de commisie-Kennedy een aangepaste versie van de 50 vensters van de eerste canon.

In deze ‘nieuwe geschiedenis van Arnhem’ worden beide versies samengebracht. Bestaande geschiedenisvensters op het verleden van de stad werden, soms licht – soms sterk, herschreven en nieuwe vensters werden toegevoegd.

Dit alles onder de gedachte:
“het verleden is voorbij, maar de geschiedenis verandert voortdurend” / “iedere generatie schrijft haar eigen geschiedenis”.

Jan de Vries
Arnhem, 2022.

Naar de inhoudsopgave.


Grafheuvels Warnsborn, ca 2500 voor Christus

Grafheuvel van de Meelworstenberg, Warnsborn.
© Foto Jan de Vries, 2008.

De grootste grafheuvel van Noordwest-Europa ligt in Arnhem. De Meelworstenberg zou aan zijn naam gekomen zijn door het middagmaal van de archeologische opgravers in 1947. Meelworst is een traditioneel Veluws gerecht van boekweitmeel, tarwebloem, gekookte lever, vleeskruiden, kaantjes en peper.
Op het landgoed Warnsborn is de Meelworstenberg een van de ‘tumuli’ uit de steentijd. De grafheuvel heeft verschillende fases gekend. De meest bijzondere is de derde periode rond 1.200 voor Christus toen de overledenen zijn bijgezet in uitgeholde boomstammen, voorlopers van de hedendaagse lijkkisten.

Jagers en boeren in de prehistorie
De laatste ijstijd bereikte Nederland niet en het zachtere klimaat gaf de mens de gelegenheid om door jacht in leven te blijven. Rondom Arnhem hielden de Neanderthalers zich vooral op rond het hoger gelegen deel van de Veluwezoom. Op Schaarsbergen zijn tot nu toe de oudste sporen van de mens gevonden. Met gereedschap van vuursteen werd 70.000 jaar geleden de jachtbuit schoongemaakt en bewerkt. De jagers leidden een nomadisch bestaan. Ze hadden geen vaste woonplaats maar zwierven door de natuur op zoek naar voedsel. Ten zuiden van de Rijn, in de Schuytgraaf, zijn sporen (zaden, pitten, botresten) van een jagerskamp van rond 5000 jaar voor Christus ontdekt. Deze jagers waren geen Neanderthalers meer, maar behoorden tot de moderne mens, de homo sapiens.

Vuurstenen schraper, ca. 70.00 jaar oud
© Museum Arnhem.

Vlakbij Warnsborn, ook op Schaarsbergen, is het oudste spoor van de mens in Arnhem gevonden: een 70.000 jaar oude vuurstenen schaver, die werd gebruikt om huiden van dieren schoon te schrapen.

Brons- en ijzertijd
De eerste sporen in Arnhem van de Neolithische (neo = nieuw, lithi = steen) revolutie, die de komst van de boeren inluidde, stammen uit 2500 voor Christus. Deze eerste boeren bouwden de grafheuvels op Warnsborn. De vroegste prehistorische Arnhemse behuizing dateert uit de Bronstijd, rond 1500 voor Christus. In het hoger gelegen gedeelte van Arnhem, waar nu de Van Goyenstraat op de Hoogkamp is, zijn sporen van boerderijen teruggevonden. De prehistorische mens daalde steeds verder de heuvels af en het dal van de Jansbeek werd de vaste woonplaats van de boeren. Inmiddels waren zij met hun gereedschap en andere gebruiksvoorwerpen de IJzertijd (vanaf 800 voor Christus) binnengetreden.

De komst van de Romeinen, rond 50 voor Christus betekende het einde van de prehistorie. Hoewel de Romeinen weinig schriftelijke bronnen in en over Arnhem hebben nagelaten, laten we de geschreven geschiedenis van Arnhem met hun komst beginnen.

Vroegmiddeleeuws grafveld Schuytgraaf.
© Gemeente Arnhem/Dienst Stadsbeheer.

De prehistorische jagers, met hun vaste basiskamp op de Arnhemse heuvels, trekken geregeld naar de rivier om te jagen en te vissen. 7.000 jaar oude vondsten in de Schuytgraaf, een boot met speren en een ‘pijl en boog’, zijn er de ontdekte bewijzen van. Bij de aanleg van de wijk stuitten archeologen op een grafveld uit de vroege Middeleeuwen. Zo is de Arnhemse levenscirkel rond: van grafheuvels in het noorden tot grafvelden in het zuiden.

Herinneringsplaatsen
Grafheuvels Lichtenbeek
Van Goyenstraat
Grafveld Schuytgraaf

Arneym, 900 na Christus

Arneym
Prümer Urbar van 893 n.Chr. in een handgeschreven kopie uit 1222.
© Landeshauptarchiv, Koblenz.

In Arneym is een kerk die 1 pond belasting betaalt.”
Zo staat het in een goederenlijst uit 893 na Christus van het klooster in Prüm (Duitsland – Eifel). Het is de oudste schriftelijke vermelding van Arnhem. Maar er is meer dan een kerk(je), er zijn ook boerderijen. De boeren op het domein betalen hun belasting niet alleen in ponden geld, maar vooral in natura: rogge, een kip en varkens.

Vikingen en Karolingen
Met het vertrek van de Romeinen braken ‘de donkere middeleeuwen’ aan. Over de geschiedenis van de stad tussen 400 en 800 na Christus is niet veel bekend. In het begin van de negende eeuw spreken twee bronnen over Meginhardeswich, het huidige Meijnerswijk. In 847 plunderden de Noormannen die nederzetting. Het Nederlandse grondgebied was toen al in handen gekomen van de Karolingische vorsten. Onder hun bescherming brachten Engelse priesters als Willibrord, Bonifatius en Werenfidus het christendom naar Nederland. De laatste was vooral in de streek rondom Arnhem actief.

De Karolingische koningen en later Duitse keizers gaven hun grondgebied in leen aan dienstmannen (edelen) en kloosters, die trouw moesten beloven aan de vorst. De graaf van Hamaland en de kloosters in Elten en Prüm kregen zo van Karel de Grote – en zijn voorgangers en opvolgers – gronden aan de Jansbeek.

Jansbeek, levensader van het domein
© Foto Stijn de Vries, 2005.

Kerk en boerderijen van het Arnhemse domein liggen in de onmiddellijke nabijheid van een beek. Die beek is de levensader van het middeleeuwse Arneym en voorziet mens, vee en akker van water. De Jansbeek is tegenwoordig ook in de binnenstad letterlijk weer ‘zichtbaar verleden’ geworden.

Arnhem bestaat in de negende eeuw uit niet meer dan een klein kerkje en enkele boerderijen. Verder van de beek lagen ‘mansa absi’, ‘woeste hoeven’, in ruig en onontgonnen heidegebied. De boeren waren horigen en gebonden aan hun grond en hun heer. Zo waren ze verplicht in mei en augustus te werken op het land van de pastoor van de kerk. Naast zijn geestelijke taken hield hij ook toezicht op de inkomsten die de gronden voor het klooster op moesten brengen.

Tussen de landerijen van de graaf, de kloosters en later de ridders van St. Jan lag ook een gemeenschappelijk stuk grond: het land van de marke (Land van de Markt). De wereldlijke (de graven) en geestelijke (de kloosters) bestuurders ruzieden geregeld over de gronden langs de Jansbeek. Ze probeerden ten koste van elkaar hun gebied uit te breiden. Met de groei van de bevolking en de opkomst van handel en nijverheid profiteerden de bewoners van die rivaliteit tussen kerk en graven van Arnhem. Het dorp wist bij de graaf stadsrechten te verwerven.

Herinneringsplaatsen
Grondplan Maartenskerk
Jansbeek
Prümelaan, St. Marten, Beekstraat, Bovenbeekstraat, Meginhardweg

Maartenskerk van Arneym
Ten zuidoosten van de Grote of Eusebiuskerk, bij het Duivelshuis, verbergen bouwplaten op dit moment (2021), de omtrek in het plaveisel van de elfde-eeuwse Maartenskerk. Daaronder liggen waarschijnlijk de fundamenten van het negende-eeuwse kerkje waarover de Prümer goederenlijst spreekt. De Eusebiuskerk is, driehonderd jaar later, half over de elfde-eeuwse Maartenskerk heen gebouwd.
Fotograaf Cor Bekink, 2008.
© Cor Bekink en Jan de Vries

Arnhemse Beeldenstorm, 1578-1579

Beschadigde muurschildering, 1579
In de Eusebiuskerk is op de muur van de kooromgang de kruisiging van Jezus Christus geschilderd. Rechts van een in 1672 aangebracht wijdingskruis staat de ladder waarmee Jezus van het kruis is gehaald. Het lichaam van Christus rust al in de armen van zijn moeder Maria. Het hoofd van Maria is door het wijdingskruis niet meer zichtbaar. Links van Maria en Jezus knielen Maria Magdalena en Maria Cleophas. Rechts is de apostel Johannes afgebeeld. De gezichten zijn weggekrast, een gevolg van de Arnhemse beeldenstorm in 1579.
© Foto Jan de Vries, 2008.

Geen Beeldenstorm in 1566
Karel V onderwierp in 1543 Gelre en Arnhem aan zijn macht, maar dat betekende niet dat hij klakkeloos zijn wil kon opleggen. Protestantse predikers verkondigden de leer van Luther en Calvijn en hekelden de katholieke opvattingen van de paus en Karel V. De politieke en godsdienstige tegenstellingen werden versterkt door de economische teruggang en de slachtoffers die de pest maakte. In Arnhem stierven in 1565 elke dag zo’n zes tot zeven inwoners aan de ziekte. Hoewel de Beeldenstorm van 1566 aan de stad voorbijging, nam de zoon van de Spaanse generaal Alva, don Frederik, in Arnhem geen halve maatregelen. Aanhangers van de nieuwe leer werden in de Rijn verdronken of op de Grote Markt levend verbrand.

Beeldenstormen in 1578 en 1579
In 1578 kon de protestantse leer zich onder bescherming van de nieuwe stadhouder Jan van Nassau in Arnhem vestigen. De Broerenkerk werd in bezit genomen, waarbij een flink aantal heiligenbeelden sneuvelde.

Calvinistische stadhouder en katholieke monniken in discussie
Graaf Johan van Nassau is op de Grote Markt in heftige discussie verwikkeld met katholieke geestelijken. De onbekende tekenaar geeft met de gewapende soldaten op de achtergrond aan dat de overgang naar de nieuwe leer niet bepaald zachtzinnig verliep. Zijn interpretatie van de Markt is minder waarheidsgetrouw.
© PD, Gelders Archief

Een jaar later, toen de predikant Johannes Fontanus in de Grote of St. Eusebiuskerk een uitvaartdienst hield, voelden de rooms-katholieken zich bedreigd. Ze namen wapens mee naar de kerk, waarop soldaten de kerk bezetten.Een tweede beeldenstorm, nu in de Eusebius- en in de Walburgiskerk, was het gevolg.

Plaquette Fontanus, Grote of Eusebiuskerk
De geestelijke voorvechter van het nieuwe gereformeerde geloof in de stad was de predikant Johannes Fontanus. Tot zijn nagedachtenis is een plaquette in de kerk aangebracht.
Foto Cor Beking, 2008 ©Jan de Vries en Cor Bekink, 2008.

Ook de kloosters binnen en buiten de stad ontkwamen niet aan de zuivering. In april 1581 werd het calvinistische geloof de enig toegestane godsdienst in de stad. Katholieken, maar ook Lutheranen, konden niet meer in het openbaar hun geloof belijden. Ook ‘paepsche stoutigheden’ als dansen op bruiloften, het zetten van de schoen voor Sinterklaas, het proosten op elkaars gezondheid en carnaval werden verafschuwd door de voorgangers en het stadsbestuur.

In de loop van de 18e eeuw kwam meer vrijheid. De Lutheranen mochten in 1737 een nieuw kerkgebouw op de Korenmarkt betrekken. Om de hoek in de Varkensstraat vonden de katholieken toevlucht in een schuilkerk, de Eusebius-statie. De Joden kregen een eigen begraafplaats en hadden een huis in de Walstraat ingericht als synagoge.

IJstijd en stuwwal

Jan van Goyen, Arnhem uit het noordwesten (ca. 1640).
© Museum Arnhem, foto Gelders Archief D 200_41

IJstijden in Gelderland
© RTV Gelderland, Ridders van Gelre, 5,5 minuut.

De zeventiende-eeuwse schilder Jan van Goyen schilderde de stad Arnhem op haar geografische breukpunt. Vanaf de droge heuvels van de Arnhemse stuwwal kijken we over de Rijn en de zompige Betuwe. De schilder koos een positie ten noordwesten van Arnhem, vanaf de hoogten van Monnikenhuizen.

De Arnhemse stuwwal, 150.000 jaar oud
Het landschap vormt de stad

Een e-bike is geen overbodige luxe in Arnhem. Korte stevige klimmetjes, vals plat en lange steile heuvels, Arnhem heeft het allemaal. De uitlopers van de stuwwal reiken tot in het hart van de stad. Als vingers van een hand doorsteken de groene heuvels de woonwijken. De stad dankt haar karakter, haar ontwikkeling en een groot deel van haar inkomsten aan de natuurlijke gevolgen van de voorlaatste ijstijd. Zo’n 150.000 jaar geleden schoof honderden meters dik landijs vanuit het noorden grond voor zich uit. Bij Arnhem stopte het ijs en de vooruitgeschoven aarde werden de heuvels ten noorden van de stad. Langs de heuvels vormde de rivier de Rijn haar bedding. Het hoogteverschil tussen de Utrechtseweg (Bovenover) en de Rijn (Onderlangs) bedraagt twintig loodrechte meters. De stuwwalheuvels liggen als een halve maan – met namen als Mariëndaal, Gulden Bodem, Zijpendaal, Sonsbeek, Klarenbeek en Geitenkamp – rondom de stad. Achter de heuvels, iets verder naar het noorden, liggen de hoogvlaktes van de Lichtenbeek, Schaarsbergen en de Koningsheide.

Landgoed Mariëndaal met ‘Groene Bedstee
© Foto: Jan en Stijn de Vries, 2007.

Ook op het landgoed Mariëndaal moet de wandelaar vandaag de dag nog steeds flinke hoogteverschillen overbruggen. Een gezicht op de in de negentiende eeuw aangelegde beukenhaag, de ‘Groene Bedstee’, is een fraaie beloning voor deze inspanningen.

Eeuwenlang waren de heuvels en de woeste heide- en zandvelden van Veluwe een last voor de stad. Je kon er niet op bouwen, het was geen geschikte landbouwgrond en het belemmerde het verkeer en vervoer. Vrijwel alle bomen werden rond 1500 in opdracht van de Bourgondische vorst Filips de Schone gekapt om een belegering van de stad mogelijk te maken. Nieuwe grootschalige boomaanplant vond plaats in de achttiende en negentiende eeuw. In die tijd werd Arnhem het ‘groene Haagje van het oosten’ en vestigden welgestelden, niet alleen overigens uit ‘s-Gravenhage, zich in de stad. Ze werden later gevolgd door de toeristen van de twintigste eneentwintigste eeuw. De bossen en juist het contrast tussen heuvel en rivier, tussen Veluwe en Betuwe, gaven de stad reliëf.

Van Bovenover en Onderlangs

Jan de Beijer, De Stadt Arnem langens den Rhijn / Arnhem vanuit het westen, 1741.
© Gelders Archief, Top Hist Atlas Gld 1551-3850.

Op deze met waterverf ingekleurde tekening van Jan de Beijer uit 1741 is de scherpe overgang tussen de stuwwal en het rivierlandschap goed te zien. ‘Onderlangs’ is niet meer dan een smal (jaag)pad dat bij hoog water blank staat. De inham links in de stuwwal is de ‘Sinckenbergh’, een in 1660 ingestort deel van de huidige Utrechtseweg. Kort na het vastleggen van dit stadspanorama wordt in 1755 op de ‘Sinckenbergh’ de eerste Joodse begraafplaats gesticht. Deze is nog steeds te bezoeken.

Herinneringsplaatsen
Hoogte 80
Klarenbeek
Gulden Bodem