Sint Petersgasthuis

Sint Petersgasthuis bij de Rijnpoort
Dit schilderij uit het midden van de 19e eeuw zegt de situatie rond 1650 weer te geven.
Het schuin opgestelde kelderluik in het midden van het pand draagt in de moderne uitvoering het jaartal 1354.
Schilderij van Henricus Jacobus Levelt, 1859.
© Museum Arnhem.

Het St. Petersgasthuis is één van de weinige echt middeleeuwse huizen in Arnhem met nog steeds die historische uitstraling. Het prachtige neogotische woonkasteel uit de 14e eeuw toont nog steeds de pittoreske spitsboogramen, arkeltorentjes en een boogfries.

Niet alleen de voorgevel van dit middeleeuwse opvanghuis voor zieken en armen is de moeite waard. De vroegere kapelzaal met haar meters hoge houten plafond en steunbalken is even imposant.
Vanuit de Oeverstaat is de achterzijde met binnenplaats, trapgevel en klokkentoren te bewonderen. Nog indrukwekkender zijn de immense kelders met hoge tongewelven onder het pand: zonder meer het hoogtepunt van een wandeling door de onderaardse Historische Kelders Arnhem.

Overzicht
Naam: Sint Petersgasthuis
Adres: Rijnstraat 71, 6811 EZ Arnhem
Bouwjaar: bestaat sinds circa 1354, eerste schriftelijke vermelding in 1380;
Stijl: Gotische voorgevel
Restauratie: 1849 en 1954-1956; architect J.G.A. Heineman i.s.m. D. Verheus
Gebruik in het verleden:
voor 1380: munthuis.
1380/1401: woonhuis
1407: ingewijd als gasthuis,
Gebruik van de 19e eeuw:
1849: koop door wijnhandelaar A.C. Vongers
1890: firma J.A. de Klark (meubelzaak)
1932: opnieuw bezit van de Drie Gasthuizen
1972-1985: kunstgalerie (Peter) Albricht
1987-2015: winkelpand ‘The Globe Outfitters’
2015- : klantcontactcentrum DrieGasthuizenGroep

Geschiedenis
In 1380 kocht Johan Wolterszoon van Arnhem, vicaris en kanunnik van Sint Pieter te Utrecht, de helft van een woonhuis in de Rijnstraat in Arnhem. Dit huis droeg de naam ‘Altmeynte’, of ‘Díe Munte’ en diende als munthuis/munterij. Uit archeologisch onderzoek van de houtconstructie van het huis is gebleken dat het pand uit 1354 dateert. Drie jaar later kocht Van Arnhem de andere helft van het pand van Henrick Munterszoon.
Bij zijn overlijden in 1401 liet Johan Wolterszoon van Arnhem het pand, bij testament, na aan de stad om er een ‘hospitael ende een geestelijck huys voor die ermen ende die siecken te ontfangen en te vueden’ in te vestigen. Dit ter ere van de Heilige Petrus. Aldus werd besloten door de uitvoerders van zijn testament op 23 december 1401 in de Sint Pieterskerk te Utrecht. Er volgde een verbouwing en zes jaar later vond, door de wijbisschop van Utrecht de inwijding van het Sint Petersgasthuis plaats (noot 1). In de loop der jaren werden nog enkele aangrenzende panden aangekocht. Het westelijke buurpand, richting Rijnpoort, werd gebruikt voor de uitbreiding van het hospitaal.

In het oorspronkelijke hoofdgebouw bleef de kerk gevestigd en in het oostelijke buurpand werd de rentmeesterwoning gehuisvest. In de Gasthuiskerk werden, totdat in 1579 het gereformeerde geloof de enig toegestane godsdienst in Arnhem werd, Rooms-katholieke kerkdiensten gehouden. Was in het testament van Johan Wolterszoon van Arnhem bepaald dat het huis ‘eeuwelicke’ een hospitaal moest blijven, al in de 16de eeuw was dit niet meer het geval.

Huur en bestuur
In 1524/7 werden de kelders onder de hospitaalkerk voor zes goudgeld per jaar verhuurd aan Hertog Karel van Gelre voor de opslag van wijn. De kelders werden later ook voor andere doeleinden verhuurd. Het bestuur en beheer van het Gasthuis onderging een aantal wisselingen. Sinds 1816 was het bestuur in handen van twee burgemeesters en twee raadsleden. Deze huismeesters van het gasthuis vergaderden eenmaal per maand in de zogenaamde herenkamer. Deze kamer werd een aantal keren verfraaid en kreeg in 1709 in de vensters de wapenen van de stad Arnhem en van de toenmalige huismeesters en de rentmeester.

Het pand raakte steeds meer in een slechte staat en in 1849 wordt in de gemeenteraadsvergadering van 12 oktober 1849 besloten het pand (Peterskerk) met kelders, een grote schuur en een uitgang naar de Oeverstraat in het openbaar te verkopen. In de verkoop was ook de rentmeesterwoning begrepen. Het uurwerk, dat jaren de voorgevel sierde, werd in de even verderop gelegen Rijnbarriére geplaatst.

Nieuwe bestemmingen
De nieuwe eigenaar werd de wijnhandelaar A.C. Vongers die het pand liet restaureren (noot 2). Hij kocht ook het uurwerk op van de gemeente en bij besluit van de gemeenteraad van 16 augustus 1856 werd het, door sloop van de barriérehuisjes, teruggeplaatst aan het voormalige gasthuis. Dit gebeurde ook met de klok in de toren aan de achterkant van het gebouw.

In 1890 vestigde zich de Firma J.A. de Klark, speciaalzaak in antieke meubels, zich in het pand. In 1898 werd de deur naar rechts verplaatst. Hierdoor kreeg de linkerzijde van het pand één enorme spiegelruit, een bezienswaardigheid in die tijd. Ook liet hij een deel van het keldergwelf weghalen, zodatdeze als toonzaal gebruikt kon worden. Vanaf de Rijnstraat kon men direct naar de winkelproducten beneden kijken.

In 1855 ging het Sint Peters Gasthuis, samen met het Sint Catharinae Gasthuis en het Sint Anthonie Gasthuis op in ‘De Drie Gasthuizen’. Op 12 mei 1932 kocht het bestuur het Sint PetersGasthuis weer terug en liet een grote restauratie uitvoeren. Zo werd de winkelpui uit 1898 verwijderd en de voorgevel in de oorspronkelijke toestand teruggebracht.

Na de Tweede Wereldoorlog volgde rond 1955 een nieuwe renovatie. Tot en met de jaren zeventig tijd bleef de Firma De Klark in het pand. Daarna kwamen o.a. kunstgalerie ‘Peter Albricht’ en diverse kledingzaken in het gebouw.
In 2015 neemt de DrieGasthuizenGroep het pand weer in gebruik en daarmee is het prachtige middeleeuwse woonkasteel weer in de handen van de nazaten van de oorsponkelijke stichter.

Petruskop en beeld
Boven op de topgevel staat een standbeeld van de heilige Petrus. Dit is het derde beeld van de christelijke hemelpoortbewaker.

In 1897 werd bij graafwerk aan de voormalige Rijnpoort in de buurt van het Sint PetersGasthuis een fraaie gebeeldhouwde kop van de apostel Petrus gevonden. De zandstenen kop dateert uit 1410. In kunsthistorische zin heeft de sculptuur verwantschap (expressiviteit, haarbehandeling) met beelden van de zogeheten Darsow-Meester uit de Duitse Hanzestad Lübeck.
Gezien de afmetingen van de kop moet het beeld zo’n anderhalve meter hoog zijn geweest. Waarschijnlijk stond het, gezien de vrijwel onberispelijke staat van de kop niet op de gevel maar in de kapel van het gasthuis. Het hoofd is waarschijnlijk ten prooi gevallen aan de beeldenstorm van 1579 in Arnhem.

Peterskop, ca. 1410
© Museum Arnhem

Architectuur
Het pand is een fraai voorbeeld van middeleeuwse kasteelarchitectuur: traptorens en weergangen op de zijmuren.
Opvallend is dat het trapportaal naar de kelder midden in de voorgevel is aangebracht (met jaartal 1354). Bij alle andere panden in de straat was de toegangstrap tegen een zijmuur gebouwd.
De bakstenen gevel heeft uitgekraagde hangtorentjes en een boogfries onder de geveltop. De weerrichel halverwege de gevel moet het pand beschermen tegen al te overvloedige waterstromen die bij regen van boven naar beneden komen.

Het tufstenen Petersbeeld dat  E. baron Speyart van Woerden na de Tweede Wereldoorlog (1952) maakte, had ernstig te lijden van weer en wind. In 2011 werd het vervangen door het huidige beeld van de hand van Károly Szekeres. Het beeld van Speyart van Woerden heeft een plaats  gevonden in het gebouw zelf. Daar is goed te zien dat de rechterzijde is aangetast wat een gevolg is van de overheersende zuidwestenwind.

Petersbeeld van E. baron Speyart van Woerden, 1952-2011
© Jan de Vries, 2008.

Indeling gasthuis
Het gebouw bestond uit een grote voorzaal en een achterzaal. De volledige onderkeldering is via het project ‘Historische Kelders Arnhem’ te bezichtigen. De twee verdiepingen rusten op balkenzolderingen, waarvan de tweede wordt afgedekt door een grote middeleeuwse eikenhouten kap. De bovenste verdieping werd gebruikt als opslagplaats voor graan. De kelders waren daarvoor te vochtig. De zakken graan werden via een gigantisch hijswiel van bijna twee meter doorsnede naar boven gehesen. 

In de vroegere kapelzaal zijn onder de karbelen gebeeldhouwde kraagstenen te zien. De nog vaag te herkennen mythologische voorstellingen geven aan dat ze uit de tijd van het gebouw als munthuis dateren. Als het geestelijke voorstellingen waren geweest, hadden ze waarschijnlijk niet de Arnhemse Beeldenstormen van 1578/1579 overleefd. De zaal is met zijn zes meter hoge houten plafond meer dan indrukwekkend.

De fraaie vierkante traptoren is vanuit de Rijnstraat nauwelijks te zien, maar wel vanaf de achterzijde van het pand (Oude Oeverstraat). De toren met trapgevel en klokkenverdieping verbindt de verschillende etages van het gebouw met elkaar. De klok riep vroeger de gelovigen op ter kerke in de gasthuiskapel te gaan en luidde bij feestelijke gebeurtenissen.

Sint Petersgasthuis, achterzijde vanaf de Oeverstraat
© Jan de Vries, 2008.

Literatuur
Burgers, J. e.a., Toppers. Boven de winkels in de Arnhemse binnenstad.
Velp 1997 (Stichting Arnhemse Verbeelding), pp. 12-13.

Caderius van Veen, D. & Ploeg, H. van der, Verliefd op Arnhem.
Arnhem: (z.jr./2000) (Arnhemse Courant/Gelders Dagblad. Gebonden editie van delen 1 t/m 4), p. 10.

Dückers, R. & P. Roelofs (red.), De Gebroeders van Limburg. Nijmeegse meesters aan het Franse hof 1400-1416.
Nijmegen 2005 (Museum Het Valkhof/Ludion), pp. 260-261.

Fockema, D., Hogerlinden J.G.A. & Wal, G. van der, Gedenkboek van Arnhem 1813-1913.
Rotterdam 1913 (N.V. W.N.J. van Ditmar’s Uitgevers Maatschappij), pp. 100, 104.

Frank, C.J.B.P. & Haans, F.A.C., De binnenstad. Duizend jaar wonen in Arnhem tussen Singels en Rijn.
Utrecht 1996 (Uitgeverij Matrijs), pp. 10, 16-18.

Graswinckel, D.P.M., Een wandeling door Arnhem in vroegere eeuwen.
In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek.
Arnhem 1933 (Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers), pp. 93-122. pp. 182-185.

Haans, F.A.C. & Frank, C.J.B.P. De ondergrondse stad. Een tocht door de Arnhemse kelders.
Utrecht 2003 (Uitgeverij Matrijs), pp. 31-33, 35, 36, 49.

Hasselt, G. van (1790). Kronijk van Arnhem.
Arnhem 1790, (Uitgeverij W. Troost en Zoon), pp. 4.

Jeurissen, A.P.J. & Wientjes, R.C.M., Arnhem na de oorlog 1945-1970.
Arnhem 2005 (Gijsbers & Van Loon), nr. 92.

Knap, W. W.G.Zn. & Vergouwe, G.F.C., Arnhem 1233-1933. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Arnhems’ stedelijk bestaan.
Arnhem 1933 (N.V. Drukkerij en Uitgevers-Maatschappij De Vlijt), pp. 19, 21.

Kuys, J. Kerk en religie in de middeleeuwen.
In: F. Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700.
Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), pp. 22-253, pp. 233 en 235.

Lavooij, W., Twee eeuwen bouwen aan Arnhem. Jongere bouwkunst vanaf 1840.
Zutphen 1990 (De Walburg Pers), pp. 54-55.

Leppink, G., Uit de geschiedenis van de Drie Gasthuizen.
Arnhem 1983 (Drie Gasthuizen), pp. 34-44, e.v.

Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen.
Arnhem 1907/1975 (Gijsbers & Van Loon, 1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1907), pp. 400-401, 408-410.

Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem.
Arnhem 1868 (Nijhoff & Zn), pp. 125-128.

Stempher, A.S., Sjouwen door Oud-Arnhem.
Arnhem 1968 (Gijsbers & Van Loon), pp. 23-24.

Stempher, A.S., Nog ‘s sjouwen door Oud-Arnhem.
Arnhem 1969 (Gijsbers & Van Loon), p. 47.

Noten
1. Van Hasselt, Staats Evers en Markus noemen 1405; Leppink, Graswinckel en Caderius van Veen spreken van 1407.
2. In de literatuur ook genoemd als A.J. Vongers, C.A. Vongers en L.C.A. Vongers van den Biesen.