In 1817 werd Arnhem officieel de hoofdstad van Gelderland in het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Een al bijna driehonderd jaar bestaande traditie werd daarmee bevestigd. Dat gold ook voor de rechtspraak. In 1827 werd in de wet vastgelegd dat het provinciale gerechtshof in Arnhem zou blijven zetelen. Ook de lagere kanton- en arrondissementsrechtbank zou in de stad haar taken uitoefenen.
De oude en vervallen Prinsenhof was in 1804 al ingeruild voor een nieuw Gouvernementsgebouw. De uitdijende rechterlijke macht kreeg een onderkomen in het uit 1838 stammende Paleis van Justitie. Na de oorlogsverwoestingen verrezen op en bij de Markt een geheel nieuw Huis der Provincie en een modern rechtbankgebouw.
Centrum van bestuur en rechtspraak In de negentiende eeuw ontwikkelde Arnhem zich verder als provinciaal centrum van bestuur en rechtspraak. Daarmee versterkte de stad haar karakter van ambtenaren- en burgerstad. Dit werd vereeuwigd in het ironische gedicht ‘Liefdesverklaring’ van Jan Greshoff uit 1924 en vijf jaar later gepubliceerd in een van zijn dichtbundel: “Ik houd zo van die donkre burgerheren Die langzaam wandlen over ’t Velperplein In deze koele winterzonneschijn: De dominee de dokter, de notaris En t klerkje dat vandaag wat vroeger klaar is. Maar ’t kan verkeren.”
In 1917 bleek sloop van het negentiende-eeuwse gouvernementsgebouw onvermijdelijk. Zeven jaar later opende de minister het nieuwe provinciehuis, een neorenaissancegebouw, waar de toekomstige generaties nog lang van zouden moeten kunnen genieten. Het mocht niet zo zijn. In de septemberdagen van 1944 lag het provinciehuis midden in de frontlinie. Met desastreuze gevolgen. Geen herbouw, maar een nieuw onderkomen werd na de oorlog het doel. Het zuidelijke gedeelte van de binnenstad en dan met name de Markt veranderde enorm. Gezichtsbepalend werd het Huis der Provincie dat op 11 september 1954 onder grote belangstelling door koningin Juliana werd geopend. De bewogen geschiedenis werd vereeuwigd in de poortwanden met de tekst ‘door aards geweld terneergebracht, wat God herstelt, heeft groter kracht’. De combinatie van kunst en architectuur maakte dit Huis geen veredeld kantoor- en vergadergebouw, maar een marmeren paleis van Scandinavische schoonheid. Anderen spraken liever smalend van een bunker of een transformatorhuis.
Inmiddels is het Huis der Provincie een rijksmonument en werken er rond de 2000 ambtenaren. De provinciale ambtenarij kon niet meer terecht in de bijgebouwde kantoorcomplexen Rijnstate en Marktstate. In 2018 verrees daarom op de plek van het Prinsenhof een nieuw kantoorgebouw. Dit ‘Gelders Huis’ was met loopbruggen en glazen wanden verbonden met het Huis der Provincie.
Aan de westkant van de Markt werd het stadspaleis ‘Huize Anderlecht’, ambtswoning van de Commissaris van de Koningin met tennisbaan, na de verwoestingen van de septemberdagen van 1944 ingeruild voor woningen en winkels voor groente- en fruithandelaren. De levendige weekmarkt verdween midden jaren zestig naar het Kerkplein om in 2016 weer terug te keren naar de Markt. Met het Huis der Provincie, het Paleis van Justitie, het Openbaar Ministerie en het in 1968 geopende stadhuis is dit stukje Arnhem nog steeds het politiek-bestuurlijk en juridisch centrum van de stad en de provincie.
Recht en Straf De Arnhemse stadsarchitect Anthonie van Aytink van Falckenstein ontwierp in 1838 voor de rechtbank een neoclassicistisch gebouw met twee vooruitspringende zijgevels. Het gebouw werd vrijwel totaal verwoest tijdens de Slag om Arnhem. Eén van de afgebroken ingangszuilen, de meest rechtse, werd het Airbornemonument. Op de achtergrond mist de Walburgiskerk haar linkertoren. Die was op 8 november 1854 ingestort bij slecht uitgevoerd restauratiewerk.
Naast het Huis van Bewaring bij de Markt beschikte Arnhem vanaf 1886 over een strafgevangenis. De Koepelgevangenis, officieel de Penitentiaire inrichting De Berg, was net als de gevangenissen in Breda en Haarlem gebouwd volgens het panoptische principe: cellen zijn aangebracht langs de buitenwand van een koepelvormige hal. In 2015 verruilde het zijn functie als gevangenis in die van vluchtelingenopvang. Vervolgens werden tal van plannen ontwikkeld om het gebouw een nieuwe functie te geven. In 1991 kwam er in Arnhem-Zuid een moderne gevangenis bij, die door haar uiterlijk al snel de ‘Blue Band-Bajes’ werd genoemd.
Herinneringsplaatsen Paleis van Justitie Koepelgevangenis Blue Band-Bajes
Op 22 juli 1808 werd de Sint-Walburgiskerk door koning Lodewijk Napoleon bij een bezoek aan de stad teruggegeven aan de Rooms-katholieke gelovigen. Sinds de Reformatie was de oudste nog bestaande kerk van Arnhem gebruikt als wapenopslagplaats en gevangenis. Met de komst van de Fransen in 1795 keerde de godsdienstvrijheid weer terug in de stad. Maar dat aan de katholieken ook weer een kerkgebouw ter beschikking werd gesteld, was een doorbraak.
De vrijheid wordt duur betaald Met de komst van 8.000 Franse soldaten in januari 1795 verdubbelde het aantal inwoners van Arnhem. De blijdschap over de komst van de Fransen was met name onder de patriotten groot. Nu zouden andere tijden aanbreken. Allereerst werd het burgerrecht afgeschaft. Tot 1795 was het burgerrecht voor minder dan de helft van Arnhemmers weggelegd. Niet-gereformeerden konden nooit burger worden. Vrouwen waren alleen indirect, via hun echtgenoot of vader, burger. Anderen konden voor vijfenveertig gulden, een kapitaal bedrag in die dagen, het burgerschap kopen. De Fransen verklaarden echter iedereen tot burger en rekenden daarmee af met dit element van de standenmaatschappij van het ‘ancien regime’.
De gilden, die ambacht en nijverheid controleerden, verdwenen ook. Het stond nu iedereen vrij een beroep uit te oefenen. De godsdienstvrijheid kreeg concreet vorm toen koning (1806-1810) Lodewijk Napoleon de Walburgiskerk in 1808 teruggaf aan de katholieke geloofsgemeenschap in Arnhem.
De vrijheid werd echter duur betaald. Binnen een week na hun komst kreeg de stad het bevel om de soldaten te kleden en schoten de voedselprijzen omhoog. Het was dan ook snel gedaan met alle vrolijke opwinding, de politieke vernieuwingen ten spijt.
Keizer Napoleon, die Arnhem in 1811 nog met een kort bezoek vereerde, overspeelde een jaar later zijn hand bij de Russische veldtocht. Pruisische troepen rukten op naar Frankrijk en bezetten ook Nederland. Op 30 november 1813 schoten kanonnen hun granaten vanaf Bovenover de stad in. Na hevige gevechten werden de Franse troepen verslagen. In een brief aan zijn ouders schreef de Arnhemmer P. van der Hooght: “Officieren van verschillende rang, soldaten, paarden, alles lag door elkander, en zwemmende in hun bloed, de een was door een kogel een ander door een lans of sabel steek, anderen door verschillende wonden den dood in de armen geloopen. De meesten laagen spiernakend..”
In Arnhem was het na de bevrijding, net als in de rest van het land, ‘Oranje boven!’ Een nieuw stadsbestuur mocht Arnhem een nieuwe tijd inleiden.
Twee fasen van de ‘Slag om Arnhem, 1813’. Bij Logement De Zon, even buiten de Rijnpoort, werd er hevig gevochten. Belangrijkste inzet van de slag om Arnhem was namelijk de (schip)brug aldaar. Franse soldaten en officieren werden doorstoken of probeerden hun leven te redden door uit de ramen van de bovenste verdiepingen te springen.
Op de Markt begroeten vertegenwoordigers van het Arnhemse stadsbestuur hun bevrijder, de Pruisische generaal Friedrich von Bülow. Aan hem worden de gouden stadssleutels overhandigd. Uiterst links is nog een deel van het oude stadhuis te zien. Op de achtergrond staat de Sabelspoort, van 1300 tot op de dag van vandaag het herkenningspunt van de Markt.
Herinneringsplaatsen Flatgebouw ‘Du Soleil’ Roermondsplein met herinneringskantstrook aan onderzijde Mandelabrug ter hoogte van de Rijnstraat. Plein 1813 Van Hogendorplaan, Van Duyn van Maasdamlaan, Van Limburg Stirumlaan
Op een spotprent uit 1784 nemen Arnhemse vrouwen de ontblote billen van de regent Hendrik Brantsen onder handen. Zijn geschriften verdwijnen in het vuur. Brantsen had zich fel uitgelaten over de slappe houding van zijn medebestuurders tijdens het kerkhofoproer in 1783. Het volk en de burgergemeente hadden daarbij hun zin gekregen. Arnhemse vrouwen, met name enkele prostituees, maken op deze spotprent duidelijk hoe ze over Brantsen denken.
Links op de Markt staat de Waag, die tussen 1761 en 1768 was gebouwd. De Rijnhandel floreerde en Arnhem werd steeds belangrijker als regionaal handelscentrum. De Waag werd ook het trefpunt van de vrijkorpsen. Deze gewapende burgertroepen probeerden een tegenwicht te bieden aan de garnizoenssoldaten van de stadhouder en het stadsbestuur.
Plooierijen, prinsgezinden en patriotten De ‘saaie pruikentijd’ wordt de achttiende eeuw wel eens genoemd. Niets was in Arnhem minder waar. Vanaf het begin van de achttiende eeuw tot aan de komst van de Fransen in 1795 gonsde en gistte het in de stad. Burgers uit de middenstand eisten inspraak in het bestuur. Zij hadden daarvoor sinds de middeleeuwen een eigen vergadering: de Gezworen Gemeente. De macht van deze ‘gemeenslieden’ stelde in de praktijk niets voor. Het waren de rijke burgers die de dienst uitmaakten.
Tussen die regenten zelf boterde het ook niet echt. Een deel was op de hand van de stadhouder, de prins van Oranje. De stadhouder probeerde de benoemingen van de regenten en de gemeenslieden naar zich toe te trekken. In Arnhem en Gelderland leidde dit tot grote ongeregeldheden: de Gelderse Plooierijen. Een ‘Plooi’ is een regentenpartij. Gesproken werd dan ook van ‘Oude’ en ‘Nieuwe Plooi’.
Rond 1780 zag een waarlijk democratische beweging het licht: de patriotten. Zij eisten niet alleen inspraak, maar ook echte macht. In Arnhem is de ‘Vaderlandsche Sociëteit’ het verzamelpunt van de patriotten die het op de stadhouder hebben gemunt. In het rumoer rondom de kerkhofoproeren van 1783 en 1784 weten de patriotten invloed te veroveren in het stadsbestuur. Stadhouder Willem V keek aanvankelijk hulpeloos toe, maar het Arnhemse garnizoen kwam de bevelhebber te hulp. In 1787 verdreven de prinsgezinde soldaten de patriotten uit het bestuur. Daarbij werden huizen geplunderd, burgers in elkaar geslagen en viel één dode te betreuren. De bedreigingen aan het adres van de patriotten logen er niet om: “In Arnhem heeft ons Uw brutale, bokachtige bakkis zeer mishaagt. Uw dikke pokkel sal bont en blauw geslagen worden. Wij sullen U op de rooster braden. Adieu stront donder.”
Acht jaar later waren de rollen omgedraaid toen het Franse leger de Republiek innam. Door de strenge winter konden de troepen over de bevroren rivieren trekken. De Arnhemse schipbrug werd door het oprukkende ijs losgeslagen en op 17 januari 1795 bezetten de Fransen Arnhem. In het nieuwe bestuur kwamen alleen patriotten terug.
Het patriottenblad ‘De Post van den Neder-Rhijn’ werd op 22 april 1786 door de Arnhemse beul op een schavot voor het oude stadhuis verbrand. In een artikel oefende een anonieme schrijver felle kritiek op de Arnhemse regenten. Het stadsbestuur was hiervan niet gediend, maar kon de identiteit van de auteur (de Arnhemmer Steven van Bronkhorst) niet achterhalen. Daarop werden alle exemplaren van het blad in beslag genomen en door de Arnhemse scherprichter ‘tot asse’ verbrand.
Arnhems grootste wetenschapper, Hendrik Antoon Lorentz (1853-1928), werd drie jaar na zijn dood geëerd met een groot monument in park Sonsbeek. We zien de 22-jarige prinses Juliana een krans leggen bij de onthulling van de gedenkplaats. De kroon op de wetenschappelijke carrière van Lorentz was de toekenning van de Nobelprijs voor Natuurkunde in 1902.
De moderne wetenschap heeft belangrijke wortels in de 18e-eeuwse Verlichting. Het Arnhemse ‘Prodesse Conamur’ is het oudste nog bestaande plaatselijke Verlichtingsgenootschap van Nederland. De eerste ledenlijst uit 1792 geeft namen van vooral juristen, bestuurders en predikanten.
Van Verlichting tot Nobelprijs ‘Ons doel is tot nut te strekken’. Dat is nog steeds de zinspreuk van het genootschap ‘Prodesse Conamur’ uit Arnhem. De vereniging heeft in haar meer dan twee eeuwen durende bestaan verschillende namen gehad, maar altijd dezelfde leus. In de tweede helft van de 18e eeuw schoten ‘nuttige’ verenigingen als paddenstoelen uit de grond in Nederland. De nieuwe genootschappen propageerden de ideeën van de Verlichting.
Opvallend is dat onder de leden van het eerste uur van Prodesse veel predikanten waren. Geloof en wetenschap gingen in Arnhem blijkbaar goed samen. ‘Den gemeenen man wijser te maaken’ was altijd het doel van het genootschap geweest. Toen Prodesselid en predikant Johannes Stolk in 1794 een pleidooi hield voor de verheffing van de gewone burger, lieten de stadsbestuurders duidelijk weten niets van die ‘verderfelijke nieuwigheden’ te willen weten. Stolk werd uit Arnhem en Gelderland verbannen en zelfs door het geschrokken Prodessebestuur geroyeerd. Na de komst van de Fransen in 1795 werd Stolk in ere hersteld, maar hij bedankte toen feestelijk voor die rehabilitatie.
Een van de belangrijkste wapenfeiten van ‘Prodesse’ was de bijdrage aan de stichting van de Arnhemse Bibliotheek in 1856. Natuurwetenschappelijke lezingen werden in de beginjaren van haar bestaan ook door ‘Prodesse Conamur’ gehouden, maar langzamerhand ontwikkelde het genootschap zich tot een letterkundige en later puur historische vereniging. De natuurwetenschappelijke activiteiten gingen naar het genootschap ‘Tot nut en vergenoegen’. Het genootschap kreeg later de naam van haar oprichter, de apotheker Wessel Knoops. Voorzitter van die vereniging was o.a. schoolmeester Geurt Timmer. Op zijn avondschool aan de Hommelseweg liet hij zijn leerling Hendrik Lorentz kennismaken met de geheimen van de natuurkunde. Voor de jonge Lorentz kwam vervolgens de opening de nieuwe Hoogere Burger School aan het Willemsplein precies op tijd. Hij begon direct in het openingsjaar van de school (1866). De opvolger van de stedelijke HBS heet nu Lorentz Lyceum en houdt zo de nagedachtenis aan zijn beroemdste leerling levend.
De rondreizende schilder Rienk Jelgerhuis portretteerde in 1798 de familie Knoops. Vader Hendrik Gijsbert was lid van Prodesse Conamur en het opengeslagen boek is de getuigenis van de letterkundige interesse van de apotheker. Dat het gezin Knoops al vroeg belangstelling had voor de natuurkunde, laat de elektriseermachine zien, die tussen vader Hendrik Gijsbert en moeder Johanna Frederica in staat. Hun zoon Wessel Knoops, niet afgebeeld op dit familieportret, was in 1824 oprichter van het genootschap ‘Tot nut en vergenoegen’.
Herinneringsplaatsen Willemsplein 36, voormalig Arnhemsch Leesmuseum (1872-1932) van Prodesse Conamur Bibliotheek en Erfgoedcentrum Rozet Lorentzmonument in Sonsbeek Voormalige Lorentz-Scholengemeenschap Apeldoornseweg, Lorentz-Lyceum Metamorfosenallee.
1 november 1607 (donderdag) Verbod dansscholen en afgoderij in Agnietenklooster De gereformeerde predikanten Fontanus en Burschetus drongen vandaag in 1607 er bij het stadsbestuur op aan om ‘afgoderij in het St. Agnietenklooster’ af te schaffen. Die ‘afgoderij’ is het belijden van het katholieke geloof door de nog aanwezige nonnen van het klooster aan de Beekstraat. Ook vroegen de dominees om dansscholen te verbieden. Met deze ‘vermaning’ probeerden de gereformeerde voorgangers de calvinistische greep op het dagelijkse leven verder te versterken. Arnhem moest een ‘klein Geneve’, waar de leer van Calvijn de dienst uitmaakte, worden. Tevergeefs want de zusters van het Agnietenklooster waren te gehecht aan het katholieke geloof. Bovendien waren ze afkomstig uit voorname families, dus ze lieten zich niet zomaar de wet voorschrijven. Pas bij het overlijden van de laatste non was het gedaan met de ‘paapse superstitie’ aan de Beekstraat.
Literatuur en bronnen Kienhorst, H. en J. Kuys (red.), Verborgen leven: Arnhemse mystiek in de zestiende eeuw. Nijmegen 2012 (Stichting Nijmeegse Kunsthistorische Studies).
Klerck, J. de, Kerk en religie circa 1500-1700. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), p. 254-275, p. 266.
Leppink, G., Uit de geschiedenis van de Drie Gasthuizen. Arnhem 1983 (Uitgeverij De Drie Gasthuizen), p. 12-15.
Leppink, G.B. en R.C.M. Wientjes, Het Sint Catharinae Gasthuis in Arnhem in de eerste vier eeuwen van zijn bestaan (1246-1636). Hilversum 1996 (Uitgeverij Verloren). Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 28.
Agnieten: ‘van gueden en treffelicken adel’, 1559 In een brief uit 1559 worden de zusters van het Agnietenklooster wordt de afkomst van de ‘gheestelicken jonfferen’ beschreven. In rood: ‘und religieusen van gueden und treffelicken adel sowel als anderer gueder luijden kynder vervult is’. Hertaald: ‘en religieuzen van aanzienlijke adel en dochters van andere respectabele burgers’. Bron: Gelders Archief: 0124-1069, Hof van Gelre, Briefwisseling van en aan Uitheemsen, 1557-1559, brief 2415 (9-1-1559). Zie ook: Kienhorst, H. en J. Kuys (red.), Verborgen leven: Arnhemse mystiek in de zestiende eeuw. Nijmegen 2012 (Stichting Nijmeegse Kunsthistorische Studies), p. 31-32, 44, 53.
2 november 1714 (donderdag) Vroedvrouwen en vondelingen Het uit mannen bestaande stadsbestuur betaalde twee vroedvrouwen f 6,- (zes gulden) om onderzoek te doen bij enkele vrouwen: ‘visitatie bijeenige meiden’. Dit omdat een kind ter vondeling was gelegd door een onbekende (vrouw / moeder) en zo probeerde men te achterhalen welke van de ‘meiden’ onlangs was bevallen. Waarom er geen onderzoek naar een man / mogelijke vader werd gedaan, vermelden de bronnen niet. De rol van gender in de geschiedschrijving blijft van belang.
Literatuur en bronnen Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 65.
Stam, H., Van vondelingen en wezen. In: Arnhem de genoeglijkste; jrg. 6 (1986), nr. 6, p. 274-276.
3 november 1899 (vrijdag) Ongeluk met artillerievervoer
3 november 1899 (vrijdag) Ongeluk met artillerievervoer In de Menno van Coehoornkazerne op de hoek van de Klarendalseweg en Hoflaan (vroeger Zadelhofsteeg, genoemd naar de daar woonachtige familie Zadelhof) waren sinds de bouw in 1883 bijna duizend soldaten ondergebracht. De kazerne gaf Klarendal veel vertier en werkgelegenheid. Maar het was ook niet zonder gevaar. Gelukkig kwam na een ongeluk met een militaire transportwagen vandaag in 1899 een vijfjarige jongen er met een schram vanaf.
4 november 1915 (donderdag) Ongeluk op de schipbrug
De schipbrug bezweken, 1915 In de Arnhemsche Courant werd uitgebreidverslag gedaan van het ongeluk. Het artikel begint linksonder en gaat in de volgende kolom bovenaan verder. In: Arnhemsche Courant, 4-11-1915. Via KB-site Delpher. Grote versie totale krantenpagina: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB08:000101711:mpeg21:p002
4 november 1915 (donderdag) Ongeluk op de schipbrug Rond 1915 trad Arnhem het modern-industriële tijdperk in. De opening van de ENKA in 1913 en de aanleg van een nieuw industrieterrein met haven ten oosten van het stadscentrum moesten werkgelegenheid en voorspoed brengen. Een tramverbinding over de schipbrug, die de noord- met de zuidoever verbond, zou een extra economische impuls zijn. Bovendien werd zo een directe aansluiting gerealiseerd tussen de stadstram (GETA) en de tramlijn van de Betuwsche Stoomtramweg Mij. (BSM). De Arnhemse gemeenteraad trok extra geld uit om de schipbrug te versterken en er rails op te leggen. De eerste testrit, op donderdag 4 november 1915, mislukte jammerlijk. De locomotief, die drie met pulp geladen goederenwagons trok, kantelde bij het vierde brugstuk. Daarop helden ook de goederenwagons gevaarlijk over. Op de locomotief konden de machinist en de hem vergezellende directeuren Gemeentewerken (W.F.C. Schaap) en Gemeentram (P.M. Nieuwenhuis) alleen met een noodsprong het vege lijf redden. De schipbrug was flink beschadigd en het ongeluk betekende het einde van een mogelijke tramverbinding over de schipbrug. De rails bleven wel liggen en enkele jaren later werden de goederen via een ier naar de overkant getrokken, maar niet meer met een locomotief.
Literatuur en bronnen Arnhemsche Courant, 4-11-1915.
Iddekinge, P.R.A., Van omnibus tot trolleybus. In: Van omnibus tot trolleybus. 125 jaar Openbaar vervoer in en om Arnhem. Leiden 1964 (Uitgeverij E.J. Brill), p. 1-87, p. 38-41.
Knap, W. W.G.Zn. en G.F.C. Vergouwe, Arnhem 1233-1933. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Arnhems’ stedelijk bestaan. Arnhem 1933 (Uitgeverij N.V. Drukkerij en Uitgevers-Maatschappij De Vlijt), p. 227-228.
Riele, A.W. te, Geschiedenis van de dienst. In: 100 jaar werk in uitvoering 1887-1987. Gedenkboek Gemeentewerken – Arnhem. Arnhem 1987 (Dienst van Gemeentewerken Arnhem), p. 11-44, p.19-20.
Seebach, T., De Arnhemse Rijnoevers. Wonen, werken en recreatie aan de rivier. Utrecht 2014 (Uitgeverij Matrijs), p. 15-16.
5 november 1379 (vrijdag) Johannieter kruisridders mochten alles zelf bepalen
5 november 1379 (vrijdag) Johannieter kruisridders mochten alles zelf bepalen In Arnhem is er de Jansstraat, Jansplaats, Jansbinnen- en buitensingel, Jansbeek en het Jansplein. Allemaal vernoemd naar de Commanderij van St. Jan. Deze Johannieterorde van kruisridders had tussen ongeveer 1200 en 1800 op het Jansplein een eigen stuk grond met tuinen, huizen en een kerkhof naast een fraaie romaans-gotische kerk met dubbele torens,. De hospitaalridders van St; Jan, naar het latere hoofdkwartier op Malta de Maltezerridders genoemd, kregen rond 1200 dit gebied waarschijnlijk via graaf Otto I van Gelre. Die had deelgenomen aan de fameuze Derde Kruistocht (1189-1192) waarin de Europees-christelijke legers van o.a. de Duitse keizer Frederik Barbarossa en de Engelse koning Richard Leeuwenhart vochten tegen de verenigde Arabisch-moslimlegers onder leiding van Saladin. Uit de zeventiende eeuw is daarvan een verslag overgeleverd:
‘Na de beëindiging van de binnenlandse onlusten richtte de keizer (Frederik Barbarossa), na aandringen van paus Urbanus, zich op de heilige oorlog en verlossing van de christenen in de Joodse landen. De graven van Gelre en Holland zijn te water overgescheept van Sicilië, de verzamelplaats van de vloot, naar het hart van Azië. Daar hebben zij de zeekust ingenomen en de steden geplunderd. Otto vond, na drie jaar thuis komende, de Geldersen verwikkeld in een onenigheid tussen de bisschop van Utrecht en de stadhouder van Coevorden.’ Vrij naar: Arend van Slichtenhorst, XIV. boeken van de Geldersse geschiedenissen, 1654.
Maar ja, honderd jaar na de stichting van de Commanderij werd er geruzied over wie de baas was op het Jansplein. De commanderij met zijn geestelijke zorgridders was immers een ‘immuniteit’: het stadsbestuur of de graaf/hertog had er niets over te zeggen. Dat werd vandaag in 1379 nog eens in een oorkonde bevestigd. ‘Wij, Willem, bij de genade Gods hertog van Gelre en graaf van Zutphen laten weten. Dat wij zullen eerbiedigen al wat onze lieve grootvader, hertog Reinald, om Gods wil te erkennen en gunstig te stemmen, en onze oom hertog Reinald en hertog Eduard de heren van Sint Jan hebben toegezegd te eerbiedigen. Wij zullen alle degenen van die commanderijen met al hun lijf en goed hoeden en beschermen.’ Vrij naar: oorkonde van Willem van Gulik, hertog van Gelre, 5 november 1379.
Literatuur en bronnen Graswinckel, D.P.M., Een wandeling door Arnhem in vroegere eeuwen. In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek. Arnhem, 1933. (Uitgeverij Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers), p. 123-185, vooral p. 131, 133-135.
Hoefer, F.A. en J.S. van Veen, De Commanderieën der orde van St. Jan in Gelderland. In: Bijdragen en Mededelingen Gelre, deel 13 (1910), p. 277-332, vooral p. 323-324.
Kuys, J.A.E., Kerk en religie in de late middeleeuwen. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), p. 223-253, vooral p. 229-232.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 391-394.
Potjer, M., Historische Atlas van Arnhem. Van Schaarsbergen tot Schuytgraaf. Amsterdam 2005 (Uitgeverij SUN), p. 14-15.
Slichtenhorst, A. van, XIV. boeken van de Geldersse geschiedenissen. Van ’t begin af vervolghd tot aen de afzweeringh des Konincx van Spanien. Arnhem 1654 (Uitgever J. van den Biesen), Boek VI, no. 19 en 20, p. 83.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 97-99.
6 november 1959 (vrijdag) Arnhemse schillen brengen geld op
6 november 1959 (vrijdag) Arnhemse schillen brengen geld op In deze tijd van kliko’s, ondergrondse vuilcontainers, scheiding aan de bron, vuilverbranding, hergebruik en diftar komt soms de herinnering aan de zinken vuilnisemmer en de schillenboer naar boven. Maar ook de jaren vijftig van de vorige eeuw had zijn afvalproblemen. Tot in de jaren tachtig deden de gemeente Arnhem en enkele particuliere bedrijfjes, zoals Piet(je) van Rinsum en Stephan Triest, veel moeite om de aardappelschillen apart van het andere huisvuil in te zamelen. Maar in de Arnhemsche Courant van vandaag in 1959 lezen we dat dit niet probleemloos ging: aardappelschillen werden bij het gewone vuil gedaan, de schillen waren vermengd met andere etensresten en de vraag naar aardappelschillen varieerde sterk. Dit had zijn effect op de prijs van de afvalschillen en daarmee op een rendabele inzameling. Daarnaast hielden soms de schillenboeren zich niet aan de afspraken. En toch werden in 1959 in totaal drie miljoen kilo Arnhemse aardappelschillen ingezameld.
Literatuur en bronnen Arnhemsche Courant, 6-11-1959. NRC Handelsblad, 12-5-1981.
Roelofs, B., De was buiten hangen. Arnhemse kwesties 1970-2000. Utrecht 2020 (Uitgeverij Matrijs).
Van schillenboer tot kringloopcentrum, 1981 Met zijn paard (Bianca) en wagen trok Stephan Triest in 1981 naar Den Haag om aandacht te vragen voor zijn subsidieverzoek om een kringloopcentrum te beginnen. Het zou nog een aantal jaren duren voordat dit gerealiseerd werd. In: NRC Handelsblad, 12-5-1981. Via KB-site Delpher. Grote versie totale krantenpagina: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000026839:mpeg21:p015
7 november 1849 (woensdag) Geboortedag architect Boerbooms
7 november 1849 (woensdag) Geboortedag architect Boerbooms Vandaag werd in 1849 in Arnhem de architect geboren van enkele van de markantste gebouwen van de stad: Johannes Boerbooms. In Arnhem staan nog steeds tal van grote winkelpanden van zijn hand. Zijn bekendste creatie is het St. Elisabethsgasthuis. Als we dit gebouw vergelijken met een ander ontwerp van hem, Beekstraat 2 dat al jarenlang Café Meijers huisvest, dan krijgen we een goede indruk van zijn architectuurstijl. Als leerling van Pierre Cuypers (o.a. Rijksmuseum en Centraal Station in Amsterdam) liet hij de weelderige overgangstijd van de middeleeuwen naar de nieuwe tijd rond 1500 herleven. Zijn panden werden opgetrokken in een combinatie van neorenaissance en neogotiek. Zowel Café Meijers als, nu appartementencomplex, het St. Elisabethsgasthuis hebben een hoge bakstenen gevel afgewisseld met witgrijze stenen banden. Boven de deuren en ramen zijn halfronde (segment)bogen aangebracht. Verder is siermetselwerk en op het dak bevinden zich kleine dakkappelletjes met pinakeltjes. Door zijn affiniteit met de neogotiek mocht Boerbooms in 1899 ook het ontwerp maken van de restauratie van de Grote of Eusebiuskerk. Hij stierf echter, veel te jong in datzelfde jaar, om dat werk te kunnen voltooien.
Literatuur en bronnen Frank, C.J.B.P., Langs lunchrooms en luxezaken. Historische winkels in de binnenstad van Arnhem. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), p. 41.
Hest, J.H.J. van, St.-Elisabethsgasthuis. Bouwgeschiedenis van een Arnhems ziekenhuis. Utrecht 2001 (Uitgeverij Matrijs).
Hest, J. van, Johannes Wilhelmus Boerbooms, 1849-1899, Architect. In: C.A.M. Gietman, e.a. (red.), Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 3, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Hilversum 2002 (Uitgeverij Verloren), p. 23-25. Online: https://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/3_Johannes_Wilhelmus_Boerbooms
Lavooij, W., Van neostijlen tot Nieuwe Kunst. Arnhemse Architectuur uit de negentiende eeuw. Utrecht 2017 (Uitgeverij Matrijs), p. 36-44, vooral p. 40.
Vredenberg, J., Johannes Wilhelmus Boerbooms 1847-1899. In: Vredenberg, J. (red.). Architecten in Arnhem, Oosterbeek en Velp. Ontwerpers van gebouwen, stedelijke ruimte en landschap tot 1965. Utrecht 2019 (Uitgeverij Matrijs), p. 59. Hier staat abusievelijk als geboortedatum 8-11-1847. Dit moet 7-11-1849 zijn.
8 november 1854 (woensdag) Walburgiskerk stort deels in Architect Th. Molkenboer was wat te ambitieus of onkundig, het is maar hoe je het bekijkt. Bij de restauratie van de Walburgiskerk in 1854 besloot hij de romaans aandoende vierkante pilaren om te toveren tot meer gotische ronde zuilen. Hij liet de pijlers afslijpen waardoor een deel van de dakconstructie en de toren instortte. Ooggetuige Antoon Markus schrijft:
“Op den morgen van den 8sten November van dat jaar bevond ik mij omstreeks 9 uur in de St.-Walburgsteeg; vele menschen, welke den vroegdienst hadden bijgewoond, hadden juist de kerk verlaten, en troepjes ambachtslieden, die in de kerk aan het werk waren, wilden zich na schafttijd weder naar hun werk begeven. Opeens hoorde ik een donderend geraas, en zag de kerk in wolken van stof gehuld.
Toen de stofwolken opgetrokken waren, begaf ik mij derwaarts, en ziet, daar stond de kap van den noordelijken toren nog slechts op de twee buitenste muren, de twee binnenste waren ingevallen en hadden op hun weg een groot deel van het dak meegenomen en het inwendige der kerk meerendeels vernield. Het orgel was totaal verbrijzeld, stukken er van lagen op het hoofdaltaar. Hoog lagen balken, leien, steenen opgestapeld; het geheel geleek een groote hoop afbraak. Had dit onheil 10 minuten vroeger of later plaats gevonden, dan zouden de gevolgen verschrikkelijk zijn geweest, en menige familie in rouw gedompeld hebben. (…)
Gelukkig is zij niet gevallen maar voorzichtig afgebroken, zoodat de kerk het een jaar met anderhalven toren moest doen. Bij de verbouwing van 1855 werd het koor der kerk tevens uitgebreid, de toren weder opgebouwd en het inwendige van nieuwe altaren en een nieuwe preekstoel voorzien. Gedurende den tijd, dat de kerk na dit ongeval voor den H. dienst ongeschikt was, hebben de godsdienstoefeningen in de daarvoor gewijde nieuwe Concertzaal van Musis Sacrum plaats gehad.”
Literatuur Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 276-277.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 85.
9 november 1720 (zaterdag) Voogd jonge plantage-eigenaressen wordt schepen
Extract Resolutieboek Gezworen Gemeente 1720. Uit: Berck, F.H. van, Advijs op drie vraagen door der Gezwoore Gemeente der Stad Arnhem, enz, 1784, p. 152.
9 november 1720 (zaterdag) Voogd jonge plantage-eigenaressen wordt schepen In 1720 stierf in Arnhem schepen dr. Jacob Coets, tevens advocaat aan het Hof van Gelderland. Het was de gewoonte dat de zittende stadsbestuurders uit eigen kring een opvolger aanwezen. De familie Coets maakte zo al decennia, van familielid op familielid, deel uit van de Arnhemse magistraat.
Sinds het einde van de middeleeuwen bestond de Gezworen Gemeente, een groep burgers die inspraak wilde in het bestuur maar dat nooit had gekregen. Gedurende de 17e en 18e eeuw schurkte de Gezworen Gemeente steeds meer tegen de macht aan en maakten ook notabele en rijke Arnhemse burgers er deel van uit.
Op 9 november 1720 besloten de gemeenslieden twee kandidaten uit de al machtige families De Vree en Tulleken naar voren te schuiven als opvolger voor Coets. Der(c)k de Vree zou het worden en hij promoveerde twee jaar later zelfs tot burgemeester. Voor zijn overleden broer Gerhard was hij voogd geworden van zijn in Suriname wees geworden nichtjes Hester en Johanna. Die hadden van hun vader zijn plantages geërfd, maar kwamen terug naar Arnhem. Voor een veilige overtocht liet Derk hen vergezellen van de slavin ‘Anna Van Vossenburg’. Zij baarde als ‘swartin’ veel opzien in het achttiende-eeuwse Arnhem.
Literatuur en bronnen Ekkart, R.E.O., Gelderse portretten en portrettisten. In: Bierens de Haan, J. C. en R. Ekkart (red.), Gelderse Gezichten. Drie eeuwen portretkunst in Gelderland 1550-1850. Zwolle 2002 (Waanders Uitgevers), p. 56-85, vooral p. 63.
Koene, B., Schijngestalten. De levens van diplomaat en rokkenjager Gerard Brantsen (1735-1809). Hilversum 2013 (Uitgeverij Verloren), pp. 10-13.
Koene, B., De mensen van Vossenburg en Wayampibo. Twee Surinaamse plantages in de slaventijd. Hilversum 2019 (Uitgeverij Verloren), p. 80-87.
Tenten, M.V.T., De Gelderse elite in vogelvlucht 1550-1850. In: Bierens de Haan, J. C. en R. Ekkart (red.), Gelderse Gezichten. Drie eeuwen portretkunst in Gelderland 1550-1850. Zwolle 2002 (Waanders Uitgevers), p. 18-33, vooral p. 28-29.
Theeuwen, P.J.H.M., Pieter ’t Hoen en De Post van den Neder-Rhijn (1781-1787). Hilversum 2002 (Uitgeverij Verloren), 2002, p. 43-44 en 450-464.
Wissing, P. van, Stad op drift: politiek tussen 1700 en 1815. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900. Utrecht 2009 (Uitgeverij Matrijs), p. 54-90, p. 64-68.
10 november 1616 (donderdag) Stad koopt patroonrecht van de Grote Kerk
In 1452 begon op de fundamenten van de Maartenskerk de bouw van het schip en de toren van wat nu de Grote of Eusebiuskerk is. Een jaar later kreeg de nieuwe kerk extra status als de relieken van de heilige Eusebius vanuit de St. Salvator-abdij Prüm naar Arnhem werden overgebracht.
Van oudsher (9e eeuw) had het Prümer klooster het recht om de priesters in de kerk aan te stellen. Toen Arnhem in 1578 overging van het katholieke naar het protestantse geloof wilden de protestanten en het gereformeerde stadsbestuur graag dit recht ook formeel bezitten.
Op deze dag in 1616 wist het stadsbestuur dat patroonrecht van graaf Ernst Casimir van Nassau (en Katzenelnbogen en Dietz) te kopen. De graaf, zoon van Jan van Nassau die in 1578 als stadhouder van Gelderland een leidende rol speelde in de Arnhemse overgang naar de reformatie, had dit recht zelf zes jaar eerder van de abdij in Prüm gekocht. Hij kon dit doen door zijn Duitse connecties met de keurvorst van Trier.
Literatuur Schulte, A.G., De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad. Utrecht 1994 (Uitgeverij Matrijs), p. 29 en 37.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 31.
Wissing, P. van, Stad op drift: politiek tussen 1700 en 1815. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900. Utrecht 2009 (Uitgeverij Matrijs), pp. 54-90, pp. 64-68.
11 november St. Maarten St. Maarten vereeuwigd in steen
11 november St. Maarten St. Maarten vereeuwigd in steen Vijfhonderd jaar lang was St. Maarten de patroonheilige van Arnhem. Tot 1453 heette de Eusebiuskerk de Maartenskerk. Toen in dat jaar relieken van Eusebius vanuit de moederabdij in Prüm (Eifel – Duitsland) kreeg de Grote Kerk haar huidige naam. Niet alleen de Martinuskerk aan de Steenstraat herinnert nog aan de eerste heilige beschermer van de stad. Aan het zuidportaal (Turfstraatzijde) van de Eusebiuskerk is uiterst links een standbeeld van de Franse heilige te zien. Hij is vereeuwigd op zijn beroemdste moment: met zijn zwaard snijdt hij zijn mantel in tweeën en geeft een stuk aan een bedelaar. Naast hem staan Petrus (sleutel tot de hemel), Christoforus (Christus op zijn schouders) en Stephanus (dalmatiekmantel en steen, het teken van de eerste martelaar die door steniging stierf). Naast het zuidportaal is in het plaveisel nog een deel van de omtrekken van de oude Maartenskerk te zien. Helaas wordt een belangrijk deel hiervan door bouwplaten aan het zicht onttrokken.
Literatuur Schulte, A.G., De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad. Utrecht 1994 (Uitgeverij Matrijs), p. 101, 111-113.
12 november 1794 (woensdag) Inkwartiering troepen in Lutherse Kerk
In 1735 gaf Arnhem toestemming aan de Lutherse gemeente om aan de Korenmarkt een kerkgebouw neer te zetten. Het werd een prachtig classicistisch pand, ontworpen door architect Leendert Viervant.
Bijna zestig jaar later, in 1794, was het niet alleen in Arnhem, maar in heel Europa onrustig. Na de Franse Revolutie werd Frankrijk bedreigd door buitenlandse troepen die de monarchie wilden herstellen. De Franse revolutionairen sloegen terug door een tegenaanval in te zetten. Ze marcheerden op naar de zuidelijke Nederlanden, dat door de Franse vijand, Oostenrijk, werd bestuurd. Het revolutionaire Frankrijk had zelfs in februari 1793 de oorlog verklaard aan Nederland, of beter naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hier zwaaiden immers aanhangers van het ‘ancien regime’ in de persoon van de prinsgezinden van stadhouder Willem V van Oranje ook de scepter.
De Fransen rukten in de zomer van 1794 razendsnel op naar de Republiek. Het Arnhemse stadsbestuur liet de stedelijke kas met 15.000 gulden en alle belangrijke archiefstukken overbrengen naar Amsterdam. De troepen werden versterkt en vanuit Engeland kwam een extra eenheid soldaten onder leiding van de hertog van York naar Arnhem. De Engelse opperbevelhebber betrok een huis in de Koningstraat en zijn soldaten werden op 12 november ondergebracht in de Lutherse kerk. Zo wist het oude bestuur het nog een paar maanden te rekken, maar in januari 1795 dansten de ‘Bataafse patriotten’ definitief rondom de overal opgerichte vrijheidsbomen.
Literatuur Eijsink, Th. N., Restauratie en revolutie in Arnhem 1 juli 1787 – 6 mei 1795. Arnhem 1967 (Uitgeverij Gemeentearchief Arnhem), p. 70-71.
Koene, B., Schijngestalten. De levens van diplomaat en rokkenjager Gerard Brantsen (1735-1809). Hilversum 2013 (Uitgeverij Verloren), pp. 240-241.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 10-11.
Wissing, P. van, Stad op drift: politiek tussen 1700 en 1815. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900. Utrecht 2009 (Uitgeverij Matrijs), p. 81
Affiche Olympische Spelen, 1920 Een van de affiches voor de Spelen in Antwerpen.
In 1957 overleed op 67-jarige leeftijd Arnhemmer Willem Bekkers. Hij verwierf in 1920 furore door deel uit te maken van de zilveren medaillewinnaars in het Olympische atletieknummer van het touwtrekken.
Op de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen was touwtrekken nog een Olympische activiteit. De Engelsen, acht politieagenten die samen 300 kilo zwaarder waren dan de Nederlanders, gingen er met de titel vandoor. Ons land behaalde de tweede plaats. De Nederlandse touwtrekploeg bestond vooral uit mannen van de Arnhemse krachtsportvereniging Achilles. Een combinatie van boksers, worstelaars en gewichtheffers vormde de touwtrekploeg. Een van de acht was Willem Bekkers.
De Nederlands-Arnhemse ploeg oogstte bovendien alom bewondering voor hun sportiviteit. In de wedstrijd om het zilveren was namelijk een deel van tegenstander België te laat en de tweede plek werd aan de mannen van Achilles toegekend. “Zo willen wij niet winnen”, spraken de Arnhemmers en wachtten tot de tegenstander compleet was. Daarna werd het duel met 2-0 in het voordeel van de Gelderse krachtmensen beslist.
In Arnhem volgde de gebruikelijke rijtoer, een huldiging in Musis met een toespraak van waarnemend burgemeester en sportwethouder H. Goedhart jr. en uitgebreide artikelen in de Arnhemsche Courant. Bij de volgende Spelen was het touwtrekken geschrapt als Olympisch onderdeel.
Literatuur Fiege, K., Twee eeuwen sporten in Arnhem. Arnhem 2001 (De Arnhemsche Courant / De Gelderlander), p. 50 en 57.
14 november 1546 (donderdag) Overlijden Joost Sasbout, ‘de mens is een zeepbel’
14 november 1546 (donderdag) Overlijden Joost Sasbout, ‘de mens is een zeepbel’ Joost Sasbout (Jodocus van Sasbout, 1487-1546) moet niet verward moet worden met de 17e-eeuwse Utrechtse apostel-vicaris Sasbout Vosmeer (1548-1614).
De Arnhemse Sasbout was de eerste kanselier in Gelre voor keizer Karel V. Voor deze nieuwe heer van Gelre moest Van Sasbout zorgen voor rust in Gelre en Arnhem na de roerige periodes van Karel van Gelre (hertog 1492-1538) en Willem van Gulik (en Berg en Kleef, hertog 1538-1543). Sasbout is niet zozeer bekend geworden door zijn korte periode als hoogste bestuurder in Gelderland. Zijn epitaaf (grafgedenkteken) in de Grote of Eusebiuskerk daarentegen wordt door kunsthistorici geprezen als een prachtig voorbeeld van renaissancistische beeldhouwkunst. Dat gedenkmonument bevindt zich in de noordelijke kooromgang van de kerk en is waarschijnlijk van de hand van Colijn de Nole uit Kamerijk (België).
Het beeldhouwwerk mag dan tal van verwijzingen hebben naar de klassieke Grieks-Romeinse tijd. De afbeelding en teksten ademen meer het ‘memento mori’ van de middeleeuwen dan het ‘carpe diem’ van de renaissance. Een deel van de tekst die Sasbout zelf naliet: ‘Sta stil; wat gij zijt ben ik geweest; wellicht zijt gij morgen wat ik ben: een rottend lijk. Eens was ik Jodocus Sasbout (…) Maar wat baten mij thans titels, schatten of wijsheid? De dood maakt hoog en laag gelijk. Alleen de deugd wacht de mens na zijn dood…’.
Het zijn vooral de gebeeldhouwde afbeeldingen van een zojuist overleden jonge vrouw en een skelet met aan weerszijden de woorden ‘homo bulla’ (‘de mens is een zeepbel’) ‘caro fernu’ (‘het vlees is als hooi’) die de bezoeker tot nadenken doet stemmen.
Literatuur Brink, T., Ontworpen voor de eeuwigheid. De memoriesculptuur voor Joost Sasbout en Catharina van der Meer in de Eusebiuskerk te Arnhem. In: Bulletin KNOB, deel 12, 2013, nr. 3, pp. 152-165.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), pp. 243-244.
Schulte, A.B.C en C.J.M, Schulte- van Wersch, Kunst en cultuur van de late middeleeuwen tot 1700. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), pp. 276-309, p. 288 en 291.
Schulte, A.G., De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad. Utrecht 1994 (Uitgeverij Matrijs), pp. 179-183.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 85.
15 november 1912 (vrijdag) Oprichting Gelderse Blindenvereniging
15 november 1912 (vrijdag) Oprichting Gelderse Blindenvereniging De Arnhemmer Rikke Koops (geboren 5 april 1883) is sinds zijn 12e jaar blind en wil iets doen aan de emancipatie en positie van de blinden in Gelderland. Op 15 november 1912 is hij de initiatiefnemer van de oprichting van de stichting ‘Geldersche Blindenvereniging’. De stichting wil blinden ondersteunen om aan eigen inkomsten te komen zodat ze meer niet meer volledig afhankelijk zijn van liefdadigheid en overheidssteun.
Er wordt geld ingezameld aan en in 1918 wordt in de Weverstraat een werkinrichting voor blinden geopend. De naam is ‘G.B.I. werkinrichting en tehuis voor blinden’ (G.B.I.= Geldersche Blinden Industrie). Al snel verruilt de vereniging dit gebouw voor twee panden (een als kantoor- en woonhuis en een als werkinrichting) aan de Marktstraat.
Die panden moesten in 1933 wijken voor de bouw van de Rijnbrug en vond op 9 oktober van dat jaar de feestelijke opening plaats van het nieuwe onderkomen aan de Utrechtseweg, tegenover de Oranjestraat, In twee grote voormalige villa’s (gebouwd in 1873) werden de kantoren, een werkplaats, een winkel en internaat gevestigd. Zo’n 30 blinden vonden er blijvend onderdak. In 1980 waren de voorzieningen niet meer rendabel en werden de panden verkocht. De vereniging investeerde het geld, nu als GBS (Gelderse Blinden Stichting), in de verdere ondersteuning van de blinden in Gelderland.
Het voormalige kantoorgebouw is er nog steeds als ‘Villa Reale’. Het pand met de winkel (‘Villa Clara) moest in de jaren negentig van de vorige eeuw plaatsmaken voor het appartementencomplex ‘Huize Clingelbeeck’.
Rikke Koops bleef tot aan zijn dood in 1966 voorzitter van de Gelderse Blindenverening. Zijn graf is te vinden op Moscowa.
Literatuur Ahoud, W.F.M., Inventaris van het archief van de Gelderse Blindenvereniging. Gelders Archief, 0748 Gelderse Blindenvereniging, laatste wijziging in 2015.
Gelders Archief: 2071 Archief Gelderse Blindenvereniging, archief gevormd in 1991; laatste wijziging 2020.
16 november 1672 (woensdag) Franse bezetter eist geld
16 november 1672 (woensdag) Franse bezetter eist geld Donderdagmiddag 6 juni 1672 marcheerden de Franse soldaten van ‘Zonnekoning’ Lodewijk de Veertiende Arnhem binnen. Enkele uren daarvoor had het Arnhemse stadsbestuur bij het Franse legerkampement in Lathum de koning hoogstpersoonlijk de capitulatie van de stad aangeboden. Dat gebeurde wel volgens de Franse etiquette: “Dat so de Coninck, te paerd sittende, audientie verleende, sij oock op haer paerden blijven, ende tot sijn Majesteit alleen met driemaal haer lichaem te buygen nadere mosten.”
Met de Franse beleefdheid was het snel gedaan en één van de talloze financiële verplichtingen is van 16 november. De Franse bestuurder (intendant) van Nederland, Louis Robert, beveelt Arnhem om elke maand 2150 gulden, ‘deux mil cent cinquante florins’, te betalen. De stad is enorm opgelucht als twee jaar later aan de Franse bezetting een eind komt.
Literatuur Kotte, W., Van Gelderse Bloem tot Franse lelie. De Franse bezetting van de stad Arnhem 1672-1674 en haar voorgeschiedenis. Arnhem 1972 (Gemeentearchief Arnhem, Bijdragen tot de geschiedenis van Arnhem deel 4), p. 62, 75-81, 139 (noot 303).
25-jarig jubileum ‘’t Nut’, 1834 De Arnhemsche Courant deed uitgebreid verslag van zilveren jubileum van de ’t Nut’. In: Arnhemsche Courant, 20-11-1834. Via KB-site Delpher. Grote versie totale krantenpagina: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010983394:mpeg21:p003
17 november 1809 (vrijdag) Oprichting ‘t Nut Vandaag werd in logement Het Zwijnshoofd in 1809 het Arnhemse Departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen opgericht. Geen enkele andere particuliere liefdadigheidsinstelling heeft zoveel voor de ontwikkeling van de stad betekent als ‘’t Nut’. Dankzij giften van gulle gevers en financiële ondersteuning van het stadsbestuur stortte ‘’t Nut’ zich op de ‘verheffing van de on- en minvermogende klasse’ door de stichting van ‘Bewaarscholen’ (in de twintigste eeuw kleuterscholen genoemd), ‘Tusschenscholen’ (voor de mensen tussen zeer arm en niet zo arm in), lagere scholen en een ‘Kweekschool’ (opleiding voor onderwijzeressen; nu Pedagogische Academie). Behalve de Nutsscholen, was er ook een Nutsspaarbank en een openbare Nutsbibliotheek. Een voorbeeld wat het onderwijs betreft: in 1842 liet de vereniging ‘op het terrein der voormalige vleeschhal in de Minnebroederenstraat een nieuwe zaal voor zijne vergaderingen bouwen, daaronder een tweede, zeer ruim lokaal voor de Tusschenschool. In beide deze vertrekken, welke naast elkander zijn gelegen, worden thans ongeveer 790 kinderen door eenen hoofdonderwijzer en vier hulponderwijzers op eene zeer doelmatige wijze onderwezen.’ Ook nam ‘’t Nut’ in 1853 het initiatief voor oprichting van de ‘Vereeniging tot het verschaffen van geschikte woningen aan de Arbeidersklasse’, kortweg ‘de Commissie’ genoemd. Van deze eerste Arnhemse charitatief-sociale woningbouwvereniging zijn de door hen gebouwde huizen in de driehoek Catharijnestraat-Klarendalseweg-Paulstraat nog steeds te zien.
Literatuur en bronnen Hogerlinden, J.G.A., Het Nut. In: Geïllustreerd Zondagsblad van de Arnhemsche Courant, jrg. 3, no. 3, 8-6-1924, p. 185-186. Grote versie volledige krantenpagina via KB-Delpher: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB08:000105143:mpeg21:p013
Klep, P.M.M., Economische en sociale ontwikkeling. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900. Utrecht 2009 (Uitgeverij Matrijs), p. 116-171,vooral p. 161, 166-168.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 44, 109, 113, 161. Staats Evers, J.W., Iets over Arnhem naar aanleiding van zijn begrooting over 1848. Arnhem 1848 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zoon), p. 66-67.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem van 1789 tot 1868. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zoon), p. 22 en 33.
17 november 1987 (dinsdag) Dr. Herman Bax van het Gemeenteziekenhuis overlijdt
Herman Bax, bij zijn afscheid in 1967 Bron: Schalm, L. Afscheid van Dr. H.R. Bax als chirurg van het Gemeente Ziekenhuis te Arnhem. In: Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 111, nr. 22 (1967), pp. 1016-1017.
17 november 1987 (dinsdag) Dr. Herman Bax van het Gemeenteziekenhuis overlijdt Twintig jaar nadat hij het ‘ambacht’ als chirurg in het Gemeenteziekenhuis Arnhem had neergelegd overlijdt in 1987 Herman Reinier Bax (geboren 1907 te Velsen). Sinds 1 november 1941 was hij het hoofd van de afdeling Chirurgie van het Gemeenteziekenhuis aan de Wagnerlaan. Behalve als expert op het gebied van leveroperaties verwierf hij tijdens de Tweede Wereldoorlog bewondering om zijn hulp aan Joodse onderduikers en Arnhemmers in nood na de Slag om Arnhem. Zuster Boland, één van zijn medewerkers herinnert: “Bax werd op een kwade dag opgepakt, maar na zo’n dag of veertien was hij er ineens weer, met één van zijn kinderen op de arm. Het was wel duidelijk dat je beter nergens naar kon vragen.“ Bax stond ook bekend om zijn onverbloemde medische en ethische standpunten en artikelen. Zijn ‘Een blik terug’ uit 1967 op zijn eigen 25-jarige carrière als chirurg in het Gemeenteziekenhuis geeft daarvan enkele fraaie staaltjes.
Literatuur Bax, H.C.R., Een blik terug. In: Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 111, nr. 21 (1967), p. 941-947.
Brandt, K.H. en A.M. ter Haar, In memoriam dr. Herman Reinier Bax. In: Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 131, nr. 3 (1987), p. 129-130.
Heusden-Sleutel, A.C. van (1995). Van minimale hulp tot optimale zorg. 150 jaar ziekenhuiszorg in Arnhem. Arnhem 1959 (Ziekenhuis Rijnstate), p. 78.
Schalm, L. Afscheid van Dr. H.R. Bax als chirurg van het Gemeente Ziekenhuis te Arnhem. In: Nederlands tijdschrift voor geneeskunde 111, nr. 22 (1967), p. 1016-1017.
18 november 1700 (donderdag) Vreemde bedelaars en ‘straffe van geeseling‘
Vreemde bedelaars en ‘straffe van geeseling’ Bron: Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 56.
18 november 1700 (donderdag) Vreemde bedelaars en ‘straffe van geeseling Het Arnhemse stadsbestuur besluit op 18 november 1700 dat het ‘vreemde bedelaars, op straffe van geeseling, verboden (werd) in de stad te komen’. Ook herbergiers die deze ‘vreemde bedelaars’ onderdak verschaffen staat deze straf of verbanning met hun hele gezin te wachten.
Dat betekende wel extra inkomsten voor de ‘scherprichter/beul’ van Arnhem. Volgens contract kreeg hij voor elke gewone geseling, inclusief de slaagstokken en touwen, maximaal drie gulden: ‘Voor een gemeene geesseling sal hij soo voor hem als sijnen dienaar niet meer mogen declareeren als drie guldens: de garden en bindlijnen daar onder begreepen.’
Geef de mensen een naam: ‘vreemde bedelaars’. Dat is iets anders dan ‘bekende bedelaars’ of ‘inwoners van de stad die om geld of brood vragen’. Tegenwoordig is dat nog steeds van toepassing: vluchtelingen, migranten, indringers, gelukzoekers, oorlogsslachtoffers, enz. En is het afschrikken en verbannen van ‘vreemde bedelaars’ in de kern iets anders dan de ‘pushback’ aan de grenzen van Europa? Historische bronnen en geschiedschrijving objectief? Dat is onmogelijk: onze eigen (cultuur)geschiedenis dringt altijd door in hoe we zaken zien, ervaren en beschrijven.
Literatuur Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 139.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 56.
19 november 1465 (zondag) Katharina van Kleef verkiest zoon boven man
19 november 1465 (zondag) Katharina van Kleef verkiest zoon boven man Vandaag, in 1465 ‘op sunte Poncianus dach’, schreven hertog Arnold van Gelre en zijn echtgenote Katharina van Kleef dat het oppergezag over Gelre werd overgedragen aan ’onsen lieven gemynden enigen soin, Adolf’. Twee jaar later zou Adolf vader worden van Gelres roemruchtste hertog, Karel van Gelre (1467-1538). De 27-jarige Adolf waarover zo liefdevol werd geschreven, had trouwens tien maanden eerder vader Arnold (1410-1473) in diens nachthemd over de bevroren slotgracht in de ijskoude winternacht van 9 op 10 januari van kasteel Grave ontvoerd en gevangen gezet. De woorden in de oorkonde moeten we dus met een flinke korrel zou nemen. Dat geldt ook voor de gezamenlijkheid van Arnold en zijn vrouw Katharina Kleef (1417-1476). Die had haar man in echtelijke en politieke zin al lang verlaten en probeerde via zoon Adolf de positie van zichzelf en Gelre te versterken. Een machtige vijand uit het zuiden lag namelijk op de loer: de hertog van Bourgondië. Katharina ergerde zich al jaren aan de zwakke opstelling van manlief Arnold en hoopte via zoon Adolf de Bourgondiërs het hoofd te kunnen bieden. Tevergeefs zou enige jaren later blijken.
Literatuur en bronnen Alberts, W. Jappe, Geschiedenis van Gelderland tot 1492. Boek I Van Heerlijkheid tot Landsheerlijkheid. Zutphen 1978 (De Walburg Pers), p. 122-125.
Hellinga, G.G., Hertogen van Gelre. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld (1021-1581). Zutphen 2012 (Uitgeverij Walburg Pers), p. 122-126.
Nijhoff, Is. An. (red.), Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, door onuitgegeven oorkonden opgehelderd en bevestigd. (6 delen; Arnhem en Den Haag 1830-1875). Deel 4, p. 361-363, no. 420.
Nijhoff, P., Inventaris van het Oud Archief der Gemeente Arnhem. Arnhem 1864 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zoon), p. 126.
19 november 2015 (donderdag) Opening OV-terminal Arnhem Centraal
Laten we vandaag in 2021 eens twee dingen combineren. Het was vandaag in 2015 dat de OV-terminal ‘Station Arnhem Centraal; werd geopend. Het was vorige week zaterdag 13 november dat helaas de presentatie van het nieuwste boek van (wethouder) Bob Roelofs, Parels en proefballonnen 2 / Kroniek van Arnhem 2011-2020, door corona geschrapt moest worden. Maar ‘Arneym’ geeft u een exclusief voorproefje (‘sneak preview’) door uit dit boek de opening van Arnhem Centraal te citeren: “De opening van Station Arnhem Centraal op 19 november 2015 markeerde een metamorfose in het stationsgebied die in de Arnhemse geschiedenis als uniek te bestempelen is. (…) Het gehele project had ruim € 163 miljoen gekost en het uiteindelijke resultaat werd, ondanks het jarenlang lekkende dak, met lof, gejuich en architectuurprijzen ontvangen.”
Literatuur De Gelderlander, 9-11-2021.
Roelofs, B., Parels en proefballonnen 2. Kroniek van Arnhem, 2011-2020. Arnhem 2021 (Uitgeverij Jeugdland Arnhem), p. 13-17.
20 november 1641 (woensdag) Kerkhof Walburgiskerk wordt heropend
Walburgiskerk en Walburgisplein, ca. 1750 Tekening van Hendrik Speelman (mede naar J. de Beijer) in: Het verheerlijkt Nederland of Kabinet van hedendaagsche gezichten en steden, dorpen en sloten enz. Met prenten door H. Spilman naar A. de Haen, Corn. Pronk, J. de Beijer en P. van Liender. Drukkerij en uitgeverij I. Tirion, Amsterdam, 1745-1774.
20 november 1641 (woensdag) Kerkhof Walburgiskerk wordt heropend Het stadsbestuur van Arnhem, de magistraat, gelastte op deze dag in 1641 dat de doden ook bij de Walburgiskerk begraven konden worden. De andere kerkhoven in de stad waren namelijk overvol. De begraafplaatsen binnen de stadsmuren waren een voortdurende bron van zorg voor het stadsbestuur en de kerkelijke autoriteiten. De kleine kerkhoven bij de kloosters (binnen de stadsmuren o.a. Broerenklooster en Agnietenklooster en daarbuiten o.a. Mariënborn en Monnikenhuizen) werden niet meer gebruikt. Deze katholieke instellingen waren na de Arnhemse Beeldenstormen (1578-1579) gesloopt. Ook de Walburgiskerk en de Janskerk werden toen aan de katholieke eredienst onttrokken. Alleen de kerkhoven bij de Grote of Eusebiuskerk en die bij de Janskerk bleven bestaan. De rijke Arnhemmers konden natuurlijk nog steeds wel een graf in de Eusebiuskerk kopen. Toen de begraafplaatsen buiten de kerkmuren echter over- en overvol waren, ook door de pestepidemiegolf van 1638, moest toch weer uitgeweken worden naar het voormalige kerkhof van de kanunniken van de Walburgiskerk.
Literatuur en bronnen De Kerk en de Parochie van St.-Walburgis te Arnhem. Gedenkboek bij het eeuwfeest van de teruggave der kerk 22 juli 1908. Arnhem 1908 (Druk Van Mastrigt en Verhoeven).
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 31.
Timmer, G.J. en J.G Verhoeven, Uit Arnhems Katholiek Verleden. Geschiedkundige Schetsen. Arnhem 1937 (Uitgave van Dagblad van Arnhem).
21 november 2012 (woensdag) Achttiende-eeuwse ‘Bacchante’ teruggeplaatst
21 november 2012 (woensdag) Achttiende-eeuwse ‘Bacchante’ teruggeplaatst Het is vandaag op de kop af alweer tien jaar geleden dat de stad een heuglijk cultuur-historisch moment vierde. Dankzij de onvermoeibare inspanningen van Kees Kant, bijgestaan door Jan van Lookeren Campagne, werd het achttiende-eeuwse beeld ‘De Bacchante’ teruggevonden en herplaatst op het Velperplein. Kees Kant had zich de hoedanigheid van Sint Nicolaas aangemeten om samen met wethouder Margreet van Gastel het beeld te onthullen.
François Gijsbert Staatskin baron van Brakell tot den Brakell (1809-1878) had zijn financiële schaapjes op het droge. Daarom kon hij in 1856 zijn toch al riante herenhuis in de Koningstraat verruilen voor ‘the place to be’ in Arnhem in die tijd: de nieuw aangelegde groene singels. Hij betrok een fraaie stadsvilla, die later als Velperbinnensingel nummer 2 door het leven ging. De woning viel in 1986 ten prooi aan de slopershamer door de bouw van de parkeergarage V&D/Musis. Bij de ontruiming van het gekraakte pand leidde, welk een toeval, toenmalig politiechef Kees Kant de ontruiming. Baron van Brakell tot den Brakell keek in 1856 uit op het groene plantsoen van Musis Sacrum, maar hij wilde een nog fraaier uitzicht. Daarom schonk hij, in twee stappen, de stad achttiende-eeuwse beelden van klassiek-mythologische figuren. Dit met de voorwaarde dat hij de beelden vanuit zijn woning kon zien. De acht beelden uit 1712 van de vermaarde beeldhouwer Ignatius van Logteren (1685-1732) stonden oorspronkelijk op het landgoed Boom en Bosch aan de Vecht bij Breukelen en kwamen nu naar Arnhem. In de oorlog werden de kunstwerken grotendeels verwoest. Vijf beelden keerden redelijk snel, gerestaureerd en wel, weer terug. Kees Kant vond ‘De Bacchante’ in desolate staat terug in het atelier van restaurateur Ton Mooy. Die knapte het weer helemaal op en in 2012 stond de door de wijngod Bacchus bezielde vrouw met druiventrossen en al weer terug op de singels. De beelden Bacchus/Faun en Jupiter bleven spoorloos, maar wie weet keren ook die eens weer terug naar Arnhem. Aan Kees Kant zal het niet liggen.
Literatuur en bronnen Brink, T., Nulboek Arnhem uit de kunst. Arnhem 2019 (Uitgeverij Hijman Ongerijmd), p. 31-32, 236.
Fischer, P.M., Inveni!: de beelden van Boom en Bosch staan in Arnhem. Daniël Marot en Ignatius van Logteren. In: Arnhem de Genoeglijkste, jrg. 21 (2001), nr. 1, p. 2-13.
Fischer, P.M, Ignatius en Jan van Logteren. Beeldhouwers en stuckunstenaars in het Amsterdam van de 18de eeuw. Bezorgd door E. Munnig Schmidt. Alphen aan den Rijn 2005 (Canaletto/ReproHolland BV).
Kant, K., De zoektocht naar de Bacchante. In: Arnhems Historisch Tijdschrift, jrg. 32 (2012), nr. 2, p. 99-102.
Lookeren Campagne, J. van, Een vorstelijke schenking. Hoe de Van Logterenbeelden in Arnhem zijn gekomen. In: Arnhems Historisch Tijdschrift; jrg. 38 (2018), nr. 4, p. 208-215.
Roelofs, B., De was buiten hangen. Arnhemse kwesties 1970-2000. Utrecht 2020 (Uitgeverij Matrijs), p. 84-91.
21 november 1698 (zaterdag) Stovenzetsters zorgen voor kerkonrust
Ordonnantie tegen stovendraagsters, 1698 Bron: Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 84.
In november wordt het echt koud. En als je dan urenlang in de kerk stil en aandachtig moet luisteren naar de predikant, dan begint de kou door te dringen tot elke vezel van je lichaam. Hoe geestelijk hartverwarmend het Woord Gods ook moge zijn. Om je extra tegen de kou te beschermen kon je in de 17e eeuw bij het begin van de dienst een stoof huren. Voor de jongere generatie: een stoof is een klein houten of stenen kastje met gloeiende kooltjes erin. Daar zette je voeten op en de warmte werd door het hele lichaam getransporteerd.
Die stoofjes moesten aan het eind van de kerkelijke bijeenkomst wel weer ingeleverd worden. De verhuursters (het waren vrouwen die hiermee een extra centje hoopten te verdienen) zamelden ze dan aan het eind van de dienst weer in om ze de zondag daarop weer te verhuren. Om snel thuis te zijn, begonnen die ‘stovenzetsters’ of ‘stovendraagsters’ nog voordat de prediking formeel was afgelopen, de stoven op te halen. Dat verstoorde de eerbiedige stilte in de kerk en bovenal de woorden van de voorganger.
Daarom vaardigde het stadsbestuur op 21 november 1698 een ordonnantie uit ‘ tegen het gewoel der stovendraagsters’: wie te vroeg de stoofjes ophaalde, werd een middagje vastgezet in het stadhuis. Tevergeefs: op 22 december 1724 moest dit besluit krachtig worden herhaald.
Literatuur Klerck, J. de, Kerk en religie circa 1500-1700. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), pp. 254-275, p. 268.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), pp. 264-265.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 84.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 59.
22 november 1615(zondag) Overlijden Johannes Fontanus op het Fontanus’ spijker
Zijn naam is al vaak gevallen in ‘Verleden Vandaag’ en op de website ‘Arneym’: Johannes Fontanus. Hij speelde een belangrijke rol in de overgang van Arnhem naar het protestantisme en drukte als predikant in de Eusebiuskerk nadrukkelijk zijn stempel op het geestelijke, politieke, culturele en dagelijkse leven van de stad.
Fontanus overleed, na 36 jaar voorganger te zijn geweest, in 1615 op zijn buitenverblijf ten oosten van de stad aan de Velperweg. Dat zijn sterfdag een zondag was, is één van die fraaie toevalligheden (?) die het verleden kleur geven. Het hof, een voormalig spijker (opslagplaats voor graan), kreeg zijn naam: Fontanus’ spijker of Fontanus’ Hof. Het stadsbestuur had hem dat uit erkentelijkheid voor zijn werkzaamheden geschonken. Het kleine landgoed was één van de pakweg tien voormalige spijkers buiten de stadsmuren. In de moderne tijd is er, op het fabrieksterrein van de Akzo/Tejin, niets meer van terug te vinden. Al naar gelang de financiën van de eigenaar waren de veelal laatmiddeleeuwse spijkers eenvoudige ‘landmanswoningen’ of riante buitenplaatsen geworden. Het Fontanus’ spijker bevond zich in de middenmoot: een kleine woning, een boomgaard en wat akkerland.
Literatuur Klerck, J. de, Kerk en religie circa 1500-1700. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), pp. 254-275, p. 260-261.
Potjer, M., De Velperweg in kaart gebracht, 1600-1795. Eigenaren en eigenaardigheden. Utrecht/Westervoort 2008 (Uitgeverij Van Gruting), pp. 30-31, 163, 169-171.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), pp. 72-73. Hier wordt abusievelijk als overlijdensjaar 1616 genoemd.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 31.
Ven, A.J. van de (1933). De oude buitenverblijven rondom de stad. In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek. Arnhem 1933 (Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers), pp. 187-223, p. 221-222.
23 november 1836(woensdag) Verkrijging grond voor Koepelkerk
De Hervormde Gemeente te Arnhem wilde rond 1835 een nieuwe kerk bouwen en liet zijn oog vallen op de terreinen van de voormalige Commanderij van St. Jan. Het ommuurde terrein van de vroegere hospitaalridders was al een tijdje in gemeentelijke handen. De eens zo prachtige gotische Janskerk met twee torens was zo bouwvallig dat deze al in 1817 ten prooi viel aan de sloophamer. Een van de torens was in 1809 uit voorzichtigheid al neergehaald.
Het ontwerp voor de nieuwe Janskerk kwam van stadsarchitect Anthony Aytinck van Falkenstein. Van zijn hand was ook de Willemskazerne en het was geen toeval dat die op een steenworp afstand lag. De fraaie neoclassicistische Koepelkerk moest vooral de officieren van de kazerne naar de zondagsdiensten lokken. In maart 1837 vond de aanbesteding plaats voor 52.000 gulden. De eerste steenlegging volgde op 14 juni 1837. Twee dagen later bezocht koning Willem I het bouwterrein.
Literatuur Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 391-394.
Staats Evers, J.W., Beschrijving van Arnhem. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zn. / Ongewijzigde facsimile herdruk Europese Bibliotheek Zaltbommel, 1970), p. 72-73.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 34.
Wander, R.H.J., Kerken. Duizend jaar religieuze bouwkunst in Arnhem. Utrecht 1997 (Uitgeverij Matrijs), p. 23-24.
24 november 1816(zondag) Geslacht Huyghens in de adelstand
Adellijk wapen van de familie Huyghens, 1816 Als de familie Huyghens in de adelstand wordt verheven, wordt hen ook een ‘echt’ adellijk familiewapen toegekend. Bron: C. O.A. Schimmelpenninck van der Oije (e.a.), Wapenregister van de Nederlandse adel Hoge Raad van Adel 1814 – 2014.
Iedere Arnhemmer kent de Huijghenslaan. De fraaie allee, die door zijn omvang vaak dient als racebaan, is niet genoemd naar de 17-eeuwse Constantijn Huyghens (dichter, staatsman) of zijn zoon Christiaan (natuur- en wiskundige).
De naam komt van het Arnhemse regentengeslacht Huyghen/Huijghens, dat geen familiebanden had met de Haagse Huyghens. Om precies te zijn is de naam van de 17e-eeuwse Arnhemse burgemeester Rutger Huijgens (1586-1666). Hij was eigenaar van het, bij de Huijgenslaan gelegen, landgoed Klarenbeek (‘Huijgens goet’). Rutger vergrootte dat bezit en werd voor een deel in landschappelijke stijl door hem verfraaid. Dat lukte hem mede dankzij de opbrengsten van zijn aandelen in de VOC. Het was niet een man die stil zat. Tot op hoge leeftijd was hij actief in de landelijke politiek: lid van de Staten-Generaal en als 78-jarige nog vergezelde hij o.a. admiraal Michel de Ruyter in een van de Engelse zeeoorlogen.
De Huyghens, die met zijtakken van hun stamboom ook bestuursfuncties in andere steden vervulden, wilden zich graag meten met de ‘echte’ oude adel. Alleen een titel ontbrak er nog aan, hoewel Rutger zich graag als ‘Heer van Klarenbeek’ liet aanspreken. Daar kwam verandering in als een verre nazaat van Rutger, mr. Hendrik Huyghens (1755-1838), het lukt om in 1816 bij Koninklijk Besluit van 24 november in de adelstand te worden verheven. Hij mag zich jonkheer noemen. De vreugde is van korte duur: een gezinsdrama treft de familie. Hendriks enige zoon en vier dochters overlijden, zijn dochters al dan niet getrouwd, en daarmee sterft ook het adellijke geslacht Huyghens in 1861 weer uit.
Literatuur
C. van Breugel Douglas, ‘Geslacht Huyghens’, in: De Navorscher 30 (1880), 149-156.
Potjer, M. Brieven van Constantijn Huijgens en Rutger Huijghens. In: Arnhem de genoeglijkste, jrg. 24 (2004), nr. 1, p. 14-18.
Potjer, M., Rutger Huyghens (1586-1666), een vitale regent. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem tot 1700. Utrecht 2008 (Uitgeverij Matrijs), pp. 102-103..
Potjer, M., De Velperweg in kaart gebracht, 1600-1795. Eigenaren en eigenaardigheden. Utrecht/Westervoort 2008 (Uitgeverij Van Gruting), pp. 102-104.
25 november 1663 (zondag) Santberg in de Rijn gestort
25 november 1663 (zondag) Santberg in de Rijn gestort Vanaf het fraaie nieuw-gerestaureerde en uitgebreide Museum Arnhem is het uitzicht vanaf de stuwwal over de Rijn en de Betuwe schitterend. De heuvel waarop het museum staat, werd vroeger de Santberg genoemd, ook omdat de pottenbakkers van de stad daar graag hun grondstof vandaan haalden. Bij de Santberg maakte de Rijn een flauwe bocht en schuurde de heuvel onderaan flink uit. Bij een hevige stormwind in 1660 stortte vervolgens een flink deel van de heuvel in. Het ingestorte deel kreeg de naam Sinckelenbergh. Landmeter Willem Leenen werd erop uitgestuurd om de schade op te nemen. Zijn rapport diende hij vandaag in 1663 in. Om de heuvel te behouden zouden er flink wat ‘rijs-, tuin- en kribwerken’ uitgevoerd moeten worden. In 1755 kreeg de joodse gemeenschap in Arnhem toestemming om bij het ingestorte deel van de Santberg kerkhof in te richten. Deze is nog steeds te bezoeken.
Literatuur en bronnen Kooger, H., Rondom den Brink. Zwerven door West-Arnhem. Arnhem 1987 (KEMA), p. 44-46.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 343, 476-477.
Nijhoff, P., Registers op het Archief, afkomstig van het voormalig Hof des Vorstendoms Gelre en Graafschaps Zutphen. Opgemaakt volgens besluit van Heeren Gedeputeerde Staten der provincie Gelderland van 9 December 1851 , nº. 3. Arnhem 1856 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zoon), p. 391-392.
25 november 2012(donderdag) Vitesse wint van PSV
Vandaag, 25-11-2021, speelt Vitesse in de Conference League de uitwedstrijd tegen Rennes. ‘Arneym’ had daar graag, net als twee weken geleden tegen Tottenham Hotspur, bij willen zijn. Helaas, de aangescherpte corona-maatregelen gooiden roet in het voetbaleten. Afgelopen weekend verloren de geelzwarte helden (vrij kansloos) van PSV met 2-0.
Hoe anders was dat op 25 november 2012 in een beladen uitwedstrijd tegen de Eindhovenaren. Na een 1-0 achterstand wisten de Arnhemmers te winnen met 1-2. Het winnende doelpunt kwam van cultclubheld Wilfried Bony. ‘Daddy Cool’ zou dat jaar topscorer worden van de eredivisie. Het was een beladen wedstrijd, want de trainer van Vitesse was op dat moment Fred Rutten, die een seizoen eerder nog leiding gaf aan PSV. Als extra zout in de Eindhovense wonde kwam de gelijkmaker van Vitesse ook van een oud-PSV’er, Jonathan Reis. De trainer van PSV in 2012? Ja, daar is ie weer: Dick(y) Advocaat, sinds gisteren oud-bondscoach van Irak. | Literatuur Reurink, F., Elke dag Vitesse. 125 jaar clubgeschiedenis in 366 verhalen. Oosterbeek 2017 (Uitgeverij Kontrast), p. 426.
Op 26 november 1962 startte de 23-urige marathonuitzending ‘Open Het Dorp’. De geldinzamelmanifestatie bracht niet alleen eeuwige roem voor presentatrice Mies Bouwman, maar legde ook het financiële fundament ruim (uiteindelijke 21 miljoen gulden) voor Het Dorp in Arnhem.
Tijden veranderen, want op dit moment (2021) is de ontmanteling van de oorspronkelijke bebouwing van Het Dorp bijna voltooid. Tal van Arnhemmers traden op in de show om de Nederlandse bevolking aan te moedigen royaal geld te storten. Natuurlijk was daar dr. Klapwijk, de initiatiefnemer van Het Dorp. Ook ontbrak de in Arnhem geboren Marga Klompé, minister van Maatschappelijk Werk, niet. De landelijke betekenis van haar beleid, met als hoogtepunt de invoering van de Algemene Bijstandswet (1965) is van enorme betekenis geweest. Ook bewoners, oud-KNIL’ers, van Bronbeek deden hun duit in het zakje.
27 november 1771 (woensdag) Inflatie in Arnhem: extra korenopslag in de Waag
27 november 1771 (woensdag) Inflatie in Arnhem: extra korenopslag in de Waag Inflatie is van alle tijden. Ook rond 1770 stegen de prijzen van de dagelijkse levensbehoeften onevenredig hoog. De algemene bevolkingsgroei in heel Europa was daar vooral de oorzaak van. De groeiende bevolking deed de vraag naar graan stijgen en op de arbeidsmarkt kon niet iedereen meer werk vinden. Geen werk, geen inkomsten, geen gelegenheid om duurder brood te kopen. Zo ook in Arnhem. De prijzen van tarwe (voor de gegoede burgerij) en rogge (grondstof voor het brood voor de ‘gewone’ Arnhemmer en de armen) stegen gigantisch. Bovendien wachtten veel graanhandelaren met de verkoop van het geoogste graan in de hoop dat de prijzen nog verder zouden stijgen. De graanpakhuizen lagen vol, maar de flink deel van de bevolking leed honger.
Op woensdag 27 november 1771 werd de situatie het Arnhemse stadsbestuur teveel. Via graanhandelaren in Amsterdam werd zo’n 80.000 kilo rogge uit Estland gekocht (‘veertig last Revalsche rog ad 190 goudgulden’; Reval was de achttiende-eeuwse naam voor de Estse hoofdstad Talinn). Die rogge werd opgeslagen op de bovenverdiepingen en zolder van de zojuist gebouwde stadswaag op de Markt. Dat gebouw, hoewel bijna volledig verwoest tijdens de Slag om Arnhem, is nog steeds een prachtig gerestaureerde achttiende-eeuwse parel van stadstimmerman Hendrik Viervant.
Literatuur en bronnen Graswinckel, D.P.M., Een wandeling door Arnhem in vroegere eeuwen. In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek. Arnhem 1933 (Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers), p. 160-161.
Klep, P.M.M., Economische en sociale ontwikkeling. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900. Utrecht 2009 (Uitgeverij Matrijs), p. 116-171, vooral p. 119-121.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 114.
Nijhoff, P., Inventaris van het Oud Archief der Gemeente Arnhem. Arnhem 1864 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zoon), p. 234.
27 november 1942(vrijdag) Jacob Koppel vermoord in Auschwitz
‘Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen en herhaal ze honderd malen alle malen zal ik wenen.’
Slot van Leo Vromans, ‘Vrede’, uit de bundel ‘Slaapwandelen’, 1957.
Het gruwelverhaal van de Holocaust is bekend, maar bevat ook weer vele onbekende verhalen. Waarom is bijvoorbeeld de in Arnhem geboren (1868) Jacob Koppel op 74-jarige leeftijd in november 1942 vermoord in Auschwitz? Hij woonde namelijk in het ‘Tehuis voor Israëlitische Oudelieden – Beth Mikloth Lezikno’ aan de Markt in Arnhem. De grote razzia op dat Joodse bejaardenhuis is twee weken na Jacobs dood, op 10 december 1942. Tachtig bewoners en personeelsleden werden opgepakt en gedeporteerd. Waarom werd Jacob, en het grootste deel van zijn gezin dat elders in Arnhem woonde, al eerder vermoord?
Hoe meer je weet, hoe meer vragen er komen. Vragen die het begin vormen van een nieuw verhaal.
28 november 1698(vrijdag) Waag in vroegere Catharinagasthuis
Na de Arnhemse Beeldenstormen (1578/1579) werd het Catharinagasthuis aan de Bakkerstraat niet gesloopt, maar ook niet meer onderhouden. In 1636 moest de toren van de kapel wegens instortingsgevaar gesloopt worden. Toen in datzelfde jaar de laatste nonnen van het Agnietenklooster waren gestorven, verhuisde de gasthuisfunctie naar die gebouwen aan de Beekstraat. Op 28 november 1698 besloot het stadsbestuur om het voormalige gasthuis in te richten als waaggebouw. De grote markt op de Markt was immers om de hoek. Daarvoor werden wel alle kerkvensters dichtgemetseld en nieuwe vloerbalken aangebracht. Behalve de waag, werd het gasthuiscomplex ook gebruikt als onderkomen voor de Franse School, de Neder-Duitse School en als turfopslag. Honderd jaar later besluit de magistraat van de stad om een nieuw Waagebouw op de Markt te bouwen. Het pand in de Bakkerstraat werd ingericht als schouwburg, ‘De Komedie’.
Literatuur Graswinckel, D.P.M., Een wandeling door Arnhem in vroegere eeuwen. In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek. Arnhem, 1933. (Uitgeverij Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers), p. 174..
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 114, 354-355
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld. Arnhem 1876 (Van Egmond & Heuvelink), p. 59.
29 november 1791(vrijdag) Vrolijke viering St. Caecilia-Concert
Het Caecilia-Concert te Arnhem, 1791 Gelithografeerde omslag van het gedenkboek bij het 200-jarig bestaan. Bron: Staats Evers, J.W., Het St. Caecilia-Concert te Arnhem, opgericht in 1591, uit het archief beschreven. Arnhem 1874 (Drukkerij G.W. van der Wiel & Co.).
Op 22 november 1591 werd in Arnhem de muziekvereniging ‘Het Caecilia-Concert’ opgericht. De muziekvereniging was de voorloper van Het Gelders Orkest, sinds 1 juni 2020 Phion. Tweehonderd jaar later werd de stichting gevierd in de eetzaal (reventer) van het St. Catharinagasthuis aan de Beekstraat. Er werd door de 44 feestgangers volop gemusiceerd en gezongen (o.a. concertante van Jean-Baptiste Davaux), maar nog meer werd er getoost en geproost. En er was veel om een heilwens over uit te spreken tot “vijf ure in den morgenstond”:
“Men dronk vervolgens aan dezen feestdisch de volgende conditiën: Welkomst aan tafel; gezondheden twee aan twee, den regter en linker duim; getrouwde dames, inclinatiën:
voorts met bokalen: de Staten der provincie , Stadhouder en het vorstelijk huis , richter en heeren van den Magistraat, presidenten van het Hof, Rekenkamer en Gedeputeerden, over- en onderhuismeesters en rentmeester van het gasthuis; met fanfares à la santé du jour in volle bokaaltjes, behalve degenen die hensden . De groote hens voor de henspligtige leden en die van den Magistraat; de kleine hens voor de geactionneerden van den Fiskaal. Weder met kleine bokaaltjes: de beste, de vriend van de beste, vaderlandje lief en alle mooije meisjes, vriendschap enz.”
Toelichting den regter en linker duim = aanwezigen haken bij elkaar duimen in als teken van verbroedering, inclinatien = genegenheid, liefde groote hens = groot glas / grote heildronk henspligtigen = zie die moeten werken geactionneerden van den Fiskaal = medewerkers van de rechtbank
Literatuur en bronnen Jacobs, I.D., Muziekleven. In: Keverling Buisman, F. (red.), Arnhem van 1700 tot 1900. Utrecht 2009 (Uitgeverij Matrijs), p. 304-321.
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen. Arnhem 1975 ongewijzigde herdruk van 1906 (Uitgeverij Gijsbers & Van Loon), p. 294-296.
Staats Evers, J.W., Het St. Caecilia-Concert te Arnhem, opgericht in 1591, uit het archief beschreven. Arnhem 1874 (Drukkerij G.W. van der Wiel & Co.), p. 20-21.
Staats Evers, J.W., Kroniek van Arnhem van 1789 tot 1868. Arnhem 1868 (Uitgeverij Is. An. Nijhoff & Zoon), p. 8.
Belegering van Arnhem, 1813 Bronnen: Fockema, D., Hogerlinden J.G.A. en Wal, G. van der, Gedenkboek van Arnhem 1813-1913. Rotterdam 1913 (N.V. W.N.J. van Ditmar’s Uitgevers Maatschappij), p. 29.
Lunteren, P. van, Slag om Arnhem, 1813. In: Arnhem de Genoeglijkste, jrg. 29 (2009), nr 1, pp. 25-31, p. 28 (afbeelding van de kaart uit Fockema (1913).
Sturm von Arnheim, 1813 Bron: Boonstra, O., Lunteren P. van en J. de Vries (red.), Arnhem 1813. Bezetting en bestorming. Hilversum 2013 (Uitgeverij Verloren), p. 130.
Voor de Slag om Arnhem in 1944 ging in de stad vooral de aandacht uit naar de gevechten om de stad in 1813. Die gebeurtenis werd in vele jaren (1863, 1913) groots herdacht. Dit jaar (2021) pakken we een deelgebeurtenis uit de hele slag eruit: de ligging van de Pruisische troepen rondom de stad voordat de eigenlijke gevechten rond 12.00 uur bij de stad beginnen.
Aan de Utrechtseweg, bij de samenkomst van Onderlangs, bevond zich de eerste Pruisische colonne. Deze moest samen met colonne twee ter hoogte van de Sterrenberg aan de Amsterdamseweg de hoofdaanval op het retranchement (aarden verdedigingswal met lunetten) voor de Rijnpoort uitvoeren. Hoofddoel van de aanval was namelijk de schipburg bij Arnhem. De inname daarvan moest voorkomen dat de Franse hoofdmacht in Nijmegen een doorsteek naar de Pruisen kon maken. De derde colonne, ter hoogte van Zypendaal, moest de Janspoort bezetten. De vierde colonne, bij wat nu Station Velperpoort is, nam de aanval op de Velperpoort voor zijn rekening. De kleine vijfde colonne moest vanaf de Westervoortsedijk opmarcheren naar de Sabelspoort.
Literatuur Boonstra, O., Lunteren P. van en J. de Vries (red.), Arnhem 1813. Bezetting en bestorming. Hilversum 2013 (Uitgeverij Verloren).
Fockema, D., Hogerlinden J.G.A. en Wal, G. van der, Gedenkboek van Arnhem 1813-1913. Rotterdam 1813 (N.V. W.N.J. van Ditmar’s Uitgevers Maatschappij).
Lunteren, P. van, Slag om Arnhem, 1813. In: Arnhem de Genoeglijkste, jrg. 29 (2009), nr 1, pp. 25-31.
Het landgoed Zypendaal (uitspraak ‘Siependaal’) werd in 1753 in kaart gebracht in opdracht van de nieuwe eigenaar, de rijke en machtige Arnhemse regentenfamilie Brantsen. Linksboven zien we het begin van de Jansbeek (‘Sours’), verder vallen de strakke geometrische tuinen op. De familie had al een groot woonhuis in de Bakkerstraat, maar wilde een buitenhuis voor de zomermaanden. Het geld daarvoor kwam vooral uit de opbrengsten van enkele plantages in Suriname. Deze waren via vererving in hun bezit gekomen. Het al bestaande huis op Zypendaal kon met behulp van dit ‘slavernij-geld’ in 1762 uitgebreid worden tot een fraaie buitenplaats.
Bij het zomerverblijf verrezen een eeuw later ook nog een koetshuis, een oranjerie en een leer- en speelhuisje, het gouvernementshuisje. De Brantsens waren een grote familie: leden van deze familie bezaten ook landgoederen en huizen als Hulkestein, Mariëndaal en de Lichtenbeek
Riante buitenplaatsen dankzij ‘de Oost’ en ‘de West’ ‘Arnhem de genoeglijkste’ is het motto waarmee de hoofdstad van Gelderland zich vanaf zeventiende eeuw tooide. Als centrum van het gewestelijke bestuur en de rechtspraak trok de stad bestuurders, rechters, griffiers, notarissen aan. Daarnaast had het stadsbestuur zelf ook nog eens twaalf schepenen en een eigen rechtbank. De inkomsten voor dit bestuurs- en ambtenarenapparaat waren in eerste instantie niet groot. Vandaar dat het vooral de adellijke families waren, die de bestuursfuncties vulden. Zij leefden van de opbrengsten van hun landerijen en hadden een rentmeester in dienst en konden zo van het bestuurswerk hun hoofdbezigheid maken.
Rijkere burgers drongen ook steeds meer door tot het bestuur en namen de leefwijze van de ‘oude adel’ over. Van hun kapitaal kochten ze land in het schependom Arnhem op. Ze wisten deze bezittingen uit te breiden en stilaan leefden ook zij meer van het land en van de investeringen dan van de handel. Geld werd ook belegd in plantages en andere bedrijven in de kolonies in de ´de Oost´ (Indonesië) en ‘de West’ (Suriname). Zo droeg Arnhem, op kleine schaal, bij aan het in stand houden van het koloniale beleid en de slavernij. In Arnhem slaagden de regenten erin om de bestuursfuncties binnen de eigen kring te houden. Daarmee gebruikten zij de inkomsten uit het bestuurswerk vooral voor de eigen familie. Op deze manier ontstond een vertakt, maar gesloten, regentenpatriciaat met aristocratische trekjes. Brantsen, Engelen, Tulleken, Everwijn, Van Hasselt en anderen hielpen elkaar aan baantjes en huwelijkspartners.
Arnhem werd als ‘genoeglijk’ woongebied ook ontdekt door oud-Indiëgangers. Vanaf het begin van de 18e eeuw streken zij neer op de groene heuvels rondom de stad. Zo kocht de in Batavia geboren Adriana van Bayen het landgoed de Hartgersberg in 1742. Zij liet bovenop de berg door stadstimmerman Anthony Viervant, de jongere broer van Hendrik – die Zypendaal ontwierp -, een huis bouwen, de voorloper van de Witte Villa Sonsbeek. Zeven jaar later trouwde de dan 26-jarige Adriana met mr. Johan Jongbloet, advocaat aan het hof van Gelderland.
Rondom de landhuizen werden parken en tuinen onder architectuur aangebracht. In de achttiende eeuw waren het vooral de barokke en classicistische tuinen die opgang deden. Rechte, strakke wandelpaden liepen langs keurige rechthoekige perken. De romantische Engelse landschapsstijl deed pas in de negentiende eeuw haar intrede.
Als de Franse adel ‘Het Huys Klaarenbeek’ werd in april 1945 verwoest bij een raketaanval van de geallieerden. Het landhuis en bijbehorend landgoed dateren uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. De achttiende-eeuwse prent toont de formele Franse tuinaanleg met gekanaliseerde beekgang en een cascade. De burgerlijke eigenaars laten zich graag als ‘nieuwe adel’ op de prent vereeuwigen.
Herinneringsplaatsen Zypendaal Villa Sonsbeek Lichtenbeek Angerenstein
Karel van Gelre vocht zijn hele leven, hij werd 70 jaar, voor een onafhankelijke positie van hemzelf en Gelre tussen de koning van Frankrijk en de keizer van het Duitse rijk, Karel V. Daarvoor had hij alles over: strijd, huwelijk, extreme belastingdruk, plundering, (verbroken) verdragen, enz. enz. Hij werd daarin gesteund door zijn briljante en gevreesde veldheer Maarten van Rossem. Karel maakte bovendien Arnhem definitief het bestuurscentrum van het hertogdom door de vestiging van zijn ambtenaren in het het hertogelijk hof op de Markt.
Vergeefse onafhankelijkheidsstrijd Van oudsher vochten verschillende grafelijke en hertogelijke families om de macht in Gelre. Vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw lieten ook Bourgondische en Habsburgse vorsten hun oog op Gelre vallen. In 1492 probeerde Gelre de buitenlandse heersers buiten de deur te houden door zich onder het bestuur van de 24-jarige Karel van Egmond te stellen. De nieuwe vorst gaat vanaf dat moment door het leven als Karel van Gelre.
In 1502 probeerden Arnhem en Karel van Gelre het op Kleefs grondgebied gelegen Huissen te veroveren. Dat werd een mislukking en Karel wist ternauwernood in een klein bootje over de Rijn te ontsnappen. Filips de Schone, de Bourgondische vorst, belegerde drie jaar later de stad. Om de inname tot een succes te maken liet Filips alle bomen rondom de stad kappen. Het Arnhemse stadsbestuur moest al snel – blootsvoets – de overgave aanbieden. De strijd om Arnhem en Gelre duurde onverminderd voort. In 1514 veroverde Karel van Gelre met een variant op het ‘paard van Troje’ Arnhem. Soldaten verstopten zich op een wagen onder korenzakken en drongen zo de stad binnen. De dood van de hertog in 1538 betekende het voorlopige einde van de strijd. Karel van Gelre werd in Arnhem in een imposante marmeren graftombe in de Grote Kerk begraven.
De nieuwe hertog Willem van Gelre moest in 1543 definitief Karel V als heer erkennen. Gelre werd één van de zeventien Nederlandse gewesten van Karel V en de hertog moest plaats maken voor een stadhouder, die onder direct gezag van Karel V stond. De stadhouder vestigde zich met zijn ‘hof’ (rechtbank, rekenkamer en adviseurs) op de Markt in Arnhem in het zogenaamde Stadhouders- later Prinsenhof. Arnhem, al de hoofdstad van het Veluwekwartier van Gelre, werd de hoofdstad van het gehele gewest. De stad ontwikkelde zich in de jaren daarna als vestigingsplaats voor regenten, rechters, advocaten en ambtenaren.
Karel en Maarten worden enerzijds gezien als overleefde middeleeuwse machtswellustelingen en anderzijds als dappere strijders voor de onafhankelijkheid van Gelre. Uiteindelijk verliezen ze het van Karel V, die het hertogdom in 1543 onder zijn centrale bestuur brengt. De nieuwe landsheer maakt Arnhem tot de residentie van zijn stadhouder. Met de vestiging van de gewestelijke rechtbank, het Hof van Gelre, de Kanselarij en de Rekenkamer wordt Arnhem Gelre’s hoofdstad.
Links, aan de oostzijde van de Markt de gebouwen van het provinciale bestuur. Op deze achttiende-eeuwse prent zijn voor het hof het ‘houten paard’ en de ‘schandton’, die voor de strafuitvoering van het gerechtshof werden gebruikt, te zien. Rechts de volledig ingebouwde Sabelspoort.
Herinneringsplaatsen Duivelshuis Standbeeld Karel van Gelre, Jansplaats Grafmonument Karel van Gelre, Grote of Eusebiuskerk Man in het kastje, Grote of Eusebiuskerk
Karel van Gelderstraat (Spijkerkwartier), Marten van Rossumstraat (St. Marten), Willem van Gulikstraat, Willem van Kleefstraat (beiden Molenbeke).
In opdracht van koning Filips II bracht Jacob van Deventer rond 1560 alle belangrijke steden van de Nederlanden in kaart. Dit leverde Arnhem zijn eerste echte plattegrond op. De doorsteek van de Rijn is op deze minuutkaart, een ‘kladversie’ van de netkaart, prachtig te zien. Tot 1530 liep de Rijn niet langs de stad, maar maakte – ter hoogte van de Nieuwe (Malburger)Haven – een bocht naar het zuiden om bij de Praets weer bij de stad uit te komen. De onderste Rijnstroom op de kaart was die rivierbedding en vormde de grens van het Schependom Arnhem.
Hertog Karel van Gelre gaf de opdracht om de grote Rijnbocht afsnijden, waardoor de rivier weer langs de stad liep. Zo had de zuidkant een betere verdedigingslinie, voeren meer schepen langs Arnhem waardoor de tolinkomsten stegen en werd de verdere uitschuring van de vroegere bocht bij de Rijnpoort tegengegaan. Voor het werk, dat zes jaar zou duren, en de kosten liet hij Arnhem opdraaien. Het stadsbestuur wentelde dat af op de eigen inwoners door een extra belasting op bier. Ook van de omliggende plaatsen werd een extra financiële bijdrage geëist in de vorm van ‘karrengeld’.
Stad aan de Rijn
Voor 1536 liep men zo vanuit de Sabelspoort de polder van Malburgen in. Niemand die de broeklanden echter zo noemde. Het waren de ‘Stadswaarden’, gebruikt om het vee te laten grazen en om klei voor de steenovens te graven. De Rijn kronkelde daar in verschillende beddingen om- en doorheen. Toen de rivier zich verder van de stad verwijderde, greep Karel van Gelre in. Handelsschepen lieten steeds vaker de kronkelende Rijn links liggen en kozen voor de Waal. De stad liep daardoor flink wat inkomsten mis.
De nederzetting Malburgen, in de bronnen voor het eerst vermeld in 1093, lag aan de overkant van de rivier ter hoogte van de huidige Bakenhof. Malburgen bestond vooral uit een overzetveer met bijbehorend veerhuis, een kerkje en een klein kasteel. De veertiende-eeuwse Margarethakerk werd in de Tachtigjarige Oorlog verwoest en het eveneens veertiende-eeuwse kasteel werd in de zestiende eeuw verlaten. Daarna werd het gebied bij verschillende dijkdoorbraken een prooi van de rivier.
Stads- en gemeentegrenzen De Rijn en na 1536 de overgebleven zeeg vormden de grens tussen het Gelderse Arnhem en het Kleefse (later Pruissense) Huissen. Niet eerder dan in 1816 werd Huissen een deel van Nederland. Bij de naoorlogse stadsuitbreiding werd in 1953 de gemeentegrens iets naar het zuiden verlegd. Het oude Malburgen, de Bakenhof, werd toen pas een deel van Arnhem. De stad ontpopte zich tot een ware slokop, want elke tien jaar schoof de grens op. Zo kwam in 1966 ook Elden binnen de gemeentegrens van Arnhem te liggen.
Hoewel Elden in 855 al voorkwam als bezit van het klooster in Werden (bij Essen), werd pas in de veertiende eeuw de aanwezigheid van een kerk vermeld. De geschiedenis van Elden werd erg bepaald door de trekvaart over ‘de Grift’ en de bijbehorende dijk tussen Arnhem en Nijmegen. De Grift werd aangelegd tussen 1607 en 1610, maar verzandde zo snel dat de vaart in 1742 buiten gebruik werd gesteld.
Rivier, dijk, zeeg en grift Op bovenstaande kaart van Malburgen en Elden, waarbij het zuiden boven ligt, is in het geel de grens aangegeven tussen het Kleefse en Gelders territoir. Die grens volgt voor een belangrijk deel ‘Den Ouden Rhijn’. De hedendaagse sloten door Malburgen (o.a. Pluimzeggelaan, Zeegsingel en Lupinestaat) geven deze vroegere rivierloop aan. Boven vormt de ‘Band Dijck’ de grens met ’T Rijck van Nijmegen’. Daarlangs stroomt een andere oude rivierstrang. Elden lag en ligt ook nu nog als een groene oase in de polders. De Grift is, hoewel buiten gebruik, duidelijk herkenbaar. Ten westen daarvan ligt de ‘Heerlijckheid Mijnderswijk’.
Linksonder is nog juist de IJssel te zien. Nog in de 18e eeuw werd deze verzande riviersplitsing naar het zuidoosten verlegd.
Herinneringsplaatsen Malburgse zeeg, Malburgse wetering, Stadsblokken, de Praets, Nieuwe Haven, de Bakenhof. Straatnamen: Zeegsingel, Weerdjesstraat, Huissensedijk, Holthuizerdijk, Jacob van Deventerstraat (‘t Broek)
Op een detail van een tekening uit de tweede helft van de zestiende eeuw liggen handelsschepen naast de Rijnpoort (links). Molenstenen, om graan te malen, liggen op de kadewal. Een vat (met Duitse Rijnwijn?) wordt door de kraan verplaatst. Binnenin de kraan werd de hijs in beweging gebracht door een tredmolen waarin mannen liepen. Boeren uit de Betuwe die met hun producten naar de stad willen, moeten gebruiken maken van het veer bij de Praets. Pas in 1603 wordt de schipbrug in gebruik genomen.
Middeleeuwse handelsstad Arnhem is nooit een belangrijke handelsstad geweest. In de veertiende eeuw winnen ambacht en nijverheid wel terrein ten koste van de landbouw. De oudste straatnamen Weverstraat, Bakkerstraat, Ketelstraat, Vijzelstraat, zijn veelzeggend. Arnhem was vooral van belang voor de regionale handel. Betuwse boeren brachten hun vee, fruit en graan naar de stad. Over de Veluwe liep een Hanzeweg naar zusterstad Harderwijk.
Op de Korenmarkt, voorheen ‘Nye Merckt’, is vanaf 1563 de graanmarkt gevestigd. De voormalige pakhuizen daar, die rond 1900 om de Korenbeurs zijn gebouwd, geven tegenwoordig onderdak aan cafés en discotheken. De gebouwen in neostijlen roepen herinneringen op aan de Hanzehuizen in Deventer en Zutphen.
Hanze In 1441 werd Arnhem ook lid van de Hanze. Om lid te worden reisde een Arnhemse bestuurder onder dreiging van de pest persoonlijk naar Lübeck. Om zich te wapenen tegen ‘de zwarte dood’ had hij uit de stadsapotheek kaneel en gember meegekregen. Tegenbezoeken werden ook afgelegd. In Arnhem kregen de Duitse handelsvrienden een warm onthaal met tweeëndertig kannen wijn. Het handelsverbond was in die jaren echter al over zijn hoogtepunt heen.
Vanaf de dertiende eeuw maakte Arnhem zijn eigen geld. De munten werden eerst geslagen op de Nieuwe Markt (nu: Korenmarkt), later in het St. PetersGasthuis. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw vond de muntslag plaats in ‘de Olde Munte’, in de Bakkerstraat. Toen dit prachtige huis in 1926 werd gesloopt, werd er de roemruchte bioscoop ‘Palace’ (inmiddels ook al weer verdwenen) gebouwd.
Handelsschepen die de Rijn op- en af voeren, legden veelal gewoon aan de Rijnoever aan, die hier en daar met een kade was versterkt. Halverwege de vijftiende eeuw werd een hijskraan gebouwd om de overslag van goederen van het schip naar de wal te vergemakkelijken. In de veertiende eeuw was haven van de stad niet meer dan een uitgegraven waterpoel bij de Rijnpoort. Het duurde tot 1603 voordat een beschutte haven, de Oude Haven, met een kade werd gebouwd. Tot die tijd lagen de schepen, veelal met Duitse Rijnwijn, gewoon langs de opgehoogde Rijnoever.
Op Warnsborn staan prachtige negentiende-eeuwse ANWB-handwijzers. Ze geven nog steeds het traject aan van de middeleeuwse Hanzeweg tussen Harderwijk en Arnhem. De oorspronkelijke weg is voor een belangrijk deel nog steeds te volgen.
Op een zeventiende-eeuwse kaart van het schependom van Arnhem is de handelsweg ingetekend. De namen ‘Hoogen en Laagen Harderwijckerweg’ duiden op een intensief gebruik. Bij slecht weer was de lage weg onbegaanbaar en kozen de handelaars met hun wagens de hoger gelegen route over de uitgestrekte Veluwe. De ‘Goossenspol’, tussen de lage en hoge weg, was een – nog steeds bestaande – grensmarkering van het schependom.
Herinneringsplaatsen Harderwijkerweg St. Petersgasthuis (muntslag in 14e eeuw) Oude en Nieuwe Kraan Hanzestraat (Presikhaaf)
In 1404 werd even buiten de stad bij het voormalige landgoed van de burgemeesters Van Presickhave een vrouwenklooster gesticht met de naam Bethanië. Het klooster, dat in 1426 werd ingewijd, had een speciale schrijfkamer, waarin nonnen gebedenboeken overschreven. De met goud uitgevoerde blauwe beginletters van ieder hoofdstuk vormen een prachtig geheel met de ranke versieringen in de kantlijn. Van het getoonde getijdenboek kennen we zelfs de naam van de uitzonderlijk begaafde maakster uit 1469: Margariet Block.
Kloosters, centra van ontwikkeling
Het grondgebied van Arnhem was in de negende eeuw vooral in bezit bij de kloosters van Elten en Prüm. Op eigen kloostergebouwen moest de stad nog 500 jaar wachten. In de veertiende eeuw werden buiten de stad twee kloosters gebouwd. In de 1342 stichtten monniken van de Kartuizerorde ten oosten van de stad het klooster Monnikenhuizen. Westelijk van de stad verscheen het Augustijnenklooster Mariëndaal. Dit klooster volgde al snel de regels van de Moderne Devotie. Dat deden ook de nonnen, ‘de zusters des gemeenen levens’, van het klooster Bethanië. De Moderne Devotie had een stevige basis in Arnhem, want ook een derde klooster liet zich inspireren door de ideeën van Geert Grote en Thomas a Kempis. Dit Agnietenklooster werd in 1404 binnen de stadsmuren aan de beek gesticht.
De vestiging van nieuwe kloosters ging met het nodige rumoer gepaard. Door de ondersteuning van een kloosterorde probeerden de graven van Gelre hun invloed in de stad te vergroten. Bovendien verloor het Benedictijnenklooster van Prüm met haar parochiekerk, de Eusebiuskerk, het godsdienstige alleenrecht. Het Prümerklooster vreesde verlies van inkomsten. Daarom werd bij de stichting van het Agnietenklooster de verdeling van offer- en collectegelden geregeld. De welvaart van de kerk werd vooral ter discussie gesteld door de volgelingen van Franciscus van Assisi. Zij zagen het leven in armoede als de ware navolging van Jezus. Deze minderbroeders mochten pas na veel getouwtrek in 1488 het Broerenklooster stichten.
De schrijfkamers van de kloosters groeiden uit tot de eerste scholen van de stad. Zo zetelde de voorloper van het Stedelijk Gymnasium als Latijnse School in de eetzaal van het Broerenklooster. Yoen Arnhem rond 1580 overging op het gereformeerde geloof werden de kloostergebouwen van Monnikenhuizen, Mariënborn en Bethanië gesloopt. Alleen enkele grafzerken, de ‘stenen tafels’, zijn overgebleven. Het Agnietenklooster bood vanaf 1636 onderdak aan het St. Catharina Gasthuis. Het complex werd in de negentiende eeuw gesloopt. Al aan het begin van die eeuw was het Broerencomplex geslecht. Weinigen wisten toen dat aan het eind van diezelfde eeuw het katholieke kloosterleven in een nieuwe vorm weer tot bloei zou komen.
Van de oude middeleeuwse kloosters binnen en buiten de stad is alleen de vroegere kapel van het Agnietenklooster aan de Beekstraat bewaard gebleven. Het is sinds 1751 in gebruik als Waalse Kerk. In de zuidgevel is op de eerste verdieping nog de deur en de trap te zien die de galerijgang van de kapel verbond met het eigenlijke kloostergebouw.
De begraafplaatsen van de in de groene heuvels gelegen kloosters Mariëndaal en Monnikenhuizen werden de laatste rustplaats van veel graven en gravinnen van Gelre. Op deze negentiende-eeuwse tekening van de begrafenis van hertog Willem I in 1402 op Monnikenhuizen is de ligging van het klooster en de verhouding tussen monniken en boerenvolk fantasierijk en toch scherp weergegeven.
Herinneringsplaatsen
Steenen Tafel Monnikenhuizen
Stenen Tafel Mariëndaal
Agnieten/Begijnenmolen (Watermuseum),
Agnietenstraat, Bethaniënstraat, Karthuizerstraat, Geert Grote straat, Thomas a Kempislaan, Broerenstraat
Karmelitessenklooster Warnsborn, Casa de Pauw, Mill Hill, Vrijland Koningsweg