1740: anderhalf uur in het achttiende-eeuwse Arnhem

Artikel ‘Op doorreis in het achttiende-eeuwse Elden’
Het deel van de reis van het Drielse veer via Elden naar Elst is in artikelvorm, zonder annotatie verschenen:  J. de Vries, ‘Op doorreis in het achttiende-eeuwse Elden’, in Kringbulletin Historische Kring Elden 44 nr. 162 (2025), 22-26. Hier het artikel met bron en literatuurverwijzingen.

Arnhem in de achttiende eeuw
Hendrik Hoogers tekende in 1787 een gezicht op Arnhem vanuit het zuidoosten, gezien vanaf de Westervoortsedijk. Vier reizigers uit Groningen die in 1740 de stad bezochten kwamen even ten noorden hiervan, via de Rosendaalseweg en de Steenstraat, de stad binnen. Zij moeten een vergelijkbaar panorama op de stad hebben gehad.
© Gelders Archief, Topografisch-historische Atlas Gelderland, toegang 1551, inv.nr. 3816, Hendrik Hoogers, Arnhem ten zuidoosten, 1787. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), https://permalink.geldersarchief.nl/FCA1BAA67A23468B831827412122EEC5
Een plezierreisje naar Kleef, 1740
Gedrukt titelblad bij het handgeschreven  reisverslag van Theodorus Beckeringh waarin hij zijn anderhalf uur durend bezoek aan Arnhem beschrijft.
T. Beckeringh, Journal of Dagverhaal van een Plaisir Reisje van Groningen na Kleef, gedaan in den Jare 1740, in: Regionaal Archief Nijmegen, Collectie losse aanwinsten 1500 – heden toegang 610, inv.nr. 48; https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=0-1&id=2128496048

Plezierreisje met bezoek aan Arnhem, 1740
In 1740 maakten vier Groningse notabele jonge heren een plezierreis van Groningen naar Kleef en doen daarbij Arnhem aan. Ze verbleven er op zaterdag 16 juli anderhalf uur, vanaf elf uur in de ochtend tot half één in de middag. Twee van hen hebben hun reis opgetekend en hun reisverslagen zijn vrijwel identiek. We geven hier eerst het tekstfragment over Arnhem van Theodorus Beckeringh uit diens originele handschrift.1 Daarna wordt in prenten en kaarten getoond wat de heren zagen aan de hand van het dagverslag van Beckeringh en het journaal van zijn reisgenoot en zwager Michiel van Bolhuis.2
Beckeringh en Van Bolhuis volgden met hun uitstapje de rijtuig- en voetsporen van hun vaders Lambert en Abel Eppo die in 1705 Arnhem bezochten en daarvan ook verslag deden.3

De vier reizigers vertrokken op zaterdag 10 juli 1740 vanuit Rosendael naar Arnhem. Theodorus Beckeringh schrijft:
‘Vervolgden te 10 uir onzen reis en reeden tusschen het gebergde door langs een breeden weg, an weerskanten met drie dubbelde reijen eijkenboomen beplandt, hebbende een heerlijk gezigte op de Torens der stadt Arnhem, lieten voorts de heerlijkheid Clarenbeek an onz linkerhand leggen, passeerden door tabaksplantasien en kwamen met de klokslag elf uiren tot Arnhem, nemende den intrek in den herbergh de Pauw, bij monsr de Roij.

Na onze maagjes een weinig voorzien hadden, gingen een promenade door de stadt doen, bezoekende onderweegs de Geldersche jonkers in het koffihuis, tegenover het Hoff’ van Gelderland, en gingen langs den Rhijn weder na den herberg. Vertrokken weder te half een uir uit Gelderlands hooftstadt, door den Rhijnschen poort, gevende een stuiver straatgeld, passeerden langs den hogen weg voort na een uir over Klingelbeek (een snel stromende watertje, dat an de regterzijd van den weg een koornmolen omdrijft) latende even van te voren de plaats Hulkestein, van den heer van Reuven, an onze linkerhand leggen; hadden van dezen hogen weg een charmant gezigte over den Rhijn en bijkans den geheelen Betuwe; kwamen te half twee in het dorpje Oosterbeek,’
[volgt een beschrijving van Oosterbeek]
Wij Arriveerden vervolgens te twee uir van den hogen weg, beneden an den Rhijn, tegenover het Drielsche veerhuis en wierden na een half uir wagtens, al kloetjende overgezet, landende voort daarna in de Betuwe, nabij het dorp Driel; gingen weder opzitten en reeden over den Rhijnschen dijk, voorbij het gehugt Mekren, langs den Grift, en passeerden de heerlijkheid Parik, betaalden aldaar an het tolhek agt stuivers tol, arriverende quartier voor vier in het dorp Elst (…)’

Gebergte van het Arnhemse schependom

De heuvels boven de Geitenkamp
De weg van ‘Roosendal’ (bovenaan) naar Arnhem voert door een dal tussen de Veluweheuvels (links) boven de Geitenkamp en Velp (rechts). In de zeventiende-eeuwse kaart zijn nu nog bekende namen als Geytenkamp en Bonte Wetering al aangegeven.
Detail van een kaart van het Monnikhuizertiend uit 1643.
© Gelders Archief, Tiendarchivalia, toegang 0095 inv.nr. 274, N. van Geelkercken (1643) in een kopie van I. van Heuvel (1723). Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal:
https://permalink.geldersarchief.nl/5CBB4776CD2F4B5F8540B444E968B207

Gebergte
Beckeringh: ‘Vervolgden te 10 uir onzen reis en reeden tusschen het gebergde door’

Bolhuis: ‘Vervolgden om tyn uur onze reis, en reeden tusschen het gebergte door’

Op zaterdag 16 juli 1740 vertrok het reisgezelschap om tien uur in de ochtend van landgoed Rosendael. Op weg naar Arnhem reden ze door de heuvels van het oostelijke schependom van de stad.

Rosendaelseweg met eikenbomen

Rosendaalseweg, 1749
Het oostelijk deel van de Rosendaalseweg met ‘Roosendaal’ rechtsboven en linksonder de vijvers rondom de huidige Thomas a Kempislaan / Bosweg. Daar tegenover, aan de andere kant van de weg, Huis Klarenbeek. De eikenbomen die de weg flankeren, zijn duidelijk weergegeven.
Deel van een kaart waarop Gijsbert Verbeek, landmeter voor het Hof van het Vorstendom Gelre en het Graafschap Zutphen. alle grondpercelen met hun eigenaren ten oosten van de stad vastlegde. Het begin van de kaarttitel mag er ook wezen: ‘Caerte van een gedeelte van het schependom van Arnhem vervattende de huijsen en landenen in den Geijlhornse en Munnitrekhuijsen thient, om St. Anthonis voorts in en bij Clarenbeek en Presichaven alle tussen den Deventer wegh ter eenre, en tussen de Molenbeeck’.
© GldA, ORA Arnhem, toegang 2003, inv.nr. 469-0005, G. Verbeek, ‘Caerte van een gedeelte van het schependom van Arnhem, enz.’. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij). Grote versie volledige kaart:
https://permalink.geldersarchief.nl/FBC0D05E18BC43C3978402DD7CD10CC1

Een brede weg met drie dubbele eikenbomen
Beckeringh: ‘een breeden weg, an weerskanten met drie dubbelde reijen eijkenboomen beplandt’

Bolhuis: ‘een breeden wegs aan weerkanten met drie dubbelde reijen eike bomen beplant’

De Rosendaalseweg was van oudsher de belangrijkste verbindingsweg tussen Rosendael en Arnhem.

Gezicht op de torens van Arnhem

Torens van Arnhem
Gezicht op Arnhem en de torens van de stad in de achttiende eeuw. Arnhem is getekend vanuit het zuiden en niet vanuit het oosten, de richting vanwaar de vier Groningse heren de stad naderden. Detail uit ‘Plan Scenografie/Ignographique van Arnhem, 1715’.
© Gelders Archief, Oud Archief Arnhem, toegang 2000, inv.nr. 3418, onbekende maker, Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal: https://permalink.geldersarchief.nl/7D61A1064C464B4F8FA16F07B4CC84C3

Torens van Arnhem
Beckeringh: ‘hebbende een heerlijk gezigte op de Torens der stadt Arnhem’
Bolhuis: ‘hebbende een heerlijk gezigte op de Torens van de Stadt Arnhem’

Huis Klarenbeek

Huys Klaarenbeek, 1716
Het Huis Klarenbeek ten zuiden van de weg naar Rosendael met de aangelegde watervallen en tuin.
© Gelders Archief, Topografisch-historische Atlas Gelderland, toegang 1551, inv.nr. 3055, gravure van Abraham Zeeman, 1716,. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal: https://permalink.geldersarchief.nl/0B8051B04D634AF3B731175515BB3A23

Heerlijckheit Clarenbeek
Beckeringh: ‘lieten voorts de heerlijkheid Clarenbeek an onz linkerhand leggen’
Bolhuis: ‘lieten voorts de heerlijkheit Klarenbeek een herelijke lustplaats (…) aan onze linkerhant leggen’

De kern van het Huis Klarenbeek werd in het midden van de zeventiende eeuw gebouwd in opdracht van burgemeester Rutger Huygens. Rondom het huis werd een  met park met watervalletjes aangelegd. Het Huis Klarenbeek lag ten zuiden van de weg naar Rosendaelseweg, aan de linkerhand als je van Rosendael kwam.  

Bronnen en literatuur
A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen, Arnhem 1907, 425.

M. Potjer, De Velperweg in kaart gebracht, 1600-1795. Eigenaren en eigenaardigheden, Utrecht/Westervoort 2008, 175-191.

Werkgroep Historie Angerenstein, Angerenstein. Van landgoed tot woonwijk, Utrecht 2008, 23-24.

Tabaksvelden

Tabaksteelt in Arnhem
Vanaf het midden van de zeventiende tot het eind van de negentiende eeuw werd rondom Arnhem tabak geteeld. De karakteristieke tabaksschuren, stonden verspreid op de heuvels en in de dalen rondom de stad. Zo ook rondom de Klarenbeekse hoogten die door het Groningse reisgezelschap werden doorkruist.
Links de toren van de Eusebiuskerk.
© Gelders Archief, Topografisch-historische Atlas Gelderland, toegang 1551, inv.nr. 3870, A. Ver Huell, Arnhem gezien vanuit het noorden, vanaf Klarenbeekse Hoogten op de Hommelsche weg, 1855. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal:
https://permalink.geldersarchief.nl/6165178F32944013A475920498ED2BA2

Tabaksplantages
Beckeringh: ‘passeerden door tabaksplantasien’
Bolhuis: ‘passeerden door tabaksplantagen’

Rond 1740 maakte de tabaksteelt en tabakshandel rondom Arnhem een relatieve bloeiperiode door. Op de heuvels van het schependom lagen tientallen tabakslanden met de karakteristieke tabaksschuren. In de schuren werden de tabaksbladeren gedroogd, voordat ze via de Arnhemse waag hun weg vonden naar de tabaksspinnerijen in Amsterdam. Arnhem kende ook een enkele tabaksspinnerij, waarvan die van Johan Michiel Bock de grootste was. Om hem en zijn bedrijf voor de stad te behouden, bood het (gereformeerde) stadsbestuur in 1688 de lutherse koopman het burgerschap en andere voordelen aan.
Tussen 1698 en 1768 was de waag gevestigd in het voormalige Catharinagasthuis in de Bakkerstraat. In 1768 werd het nieuwe Waaggebouw op de hoek Turfstaat-Markt betrokken.

Bronnen en literatuur
P.M.M. Klep, ‘De economische en sociale ontwikkeling 1550-1700’, in: F. Keverling Buisman, (red.), Arnhem tot 1700, Utrecht 2008, 188-221, vooral 206-207.

P.M.M. Klep, ‘Economische en sociale ontwikkeling’, in: F. Keverling Buisman (red.), Arnhem van 1700 tot 1900, Utrecht 2009, 116-171, vooral 145-147.

H.K. Roessingh, Inlandse tabak. Expansie en contractie van een handelsgewas in de 17e en 18e eeuw in Nederland, Wageningen 1976, 329-335.

A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen,Arnhem 1907, 114, 354-355.

V. Frequin, Petersberg. Het ontstaan van de Arnhemse buurt ‘Onder de Linden’. van landbouw naar bouwland, Nijmegen 2024, vooral 40-56.

Logement De Paauw

Pauwstraat en Korenmarkt, ca. 1762
Logement De Paauw had als officieel adres de Korenmarkt, maar stond tussen dit plein en de Jansstraat. Die verbindingsstraat was naar de herberg genoemd, de Paauwstraat.
Bovenaan op de kaart de Janspoort en links de Rijnpoort.
© Gelders Archief, Oud Archief Arnhem, toegang 2000, inv.nr. 2050, F. Beyerinck Kaart van het Binnen Wester Kwartier van Arnhem, 1762-1764. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij); digitaal https://permalink.geldersarchief.nl/98FAFB3BD3714462A3635B79E82C110E

Herberg de Paauw
Beckeringh: ‘nemende den intrek in den herbergh de Pauw, bij monsr de Roij’
Bolhuis: ‘ons logement nemende in de Paauw bij Mons. de Roy’

Logement De Paauw werd gedreven door Assueer (dat is zijn voornaam) de Roy met zijn vrouw Anna Catharina van Gaesberg. Zij hadden drie personeelsleden in dienst om o.a. de zeven stookplaatsen, haardsteden’, van het logement in de gaten te houden.

Bronnen en literatuur
Gelders Archief, Oud Rechterlijk Archief Arnhem, toegang 2003, inv.nr.467, Tweede Protokol
van Bezwaar Binnen Wester Kwartier, fol. 141r (scan 391); https://permalink.geldersarchief.nl/EBAAF0243FD84B08BD89F9FCD1518EEE

Gelders Archief, Archief Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden, toegang 0008, inv.nr. 255, Lijsten van huizen, inwoners, beroepen en bezittingen, 1749, Arnhem, vendel 3: Rijnstraat (scan 41); https://permalink.geldersarchief.nl/8DEC5DE1C089438F8816EAFBCF5CC7FE

H.Chr. van Bemmel,  ‘Logementen op en rond de Korenmarkt in Arnhem’ in: Arnhems Historisch Tijdschrift 34 (2014-4) 167-172.

J.G.A. van Hogerlinden, ‘Arnhem in 1856 (slot)’, in: Arnhemsche Courant, 3-12-1921. Via KB-site Delpher. Grote versie totale krantenpagina:
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB08:000104508:mpeg21:p005

A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen, Arnhem 1907, 382, 402-403.

Gelderse jonkers

Familiewapens Hof van Gelre, 1740-1745
De wapens van de (adellijke) families die raadsheren en andere bestuurders en ambtenaren leverden voor het Hof van Gelre en Zutphen: ‘Naemen ende Waepenen van die Heeren Canzelers [..]in den Hove des Furstendums Gelre en Graefschap Zutphen, 1740-1745’.
© Gelders Archief, Topografisch-historische Atlas Gelderland, toegang 1551, inv.nr. 4106, gravure van Wilhelmus ten Haegh. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal: https://permalink.geldersarchief.nl/7E1FE0DF26E74E9188591FF213694142

Gelderse jonkers
Beckeringh: ‘bezoekende onderweegs de Geldersche jonkers’
Bolhuis: ‘bezoekende onderwijl de Geldersche Jonkertjes’

Met ‘jonkers’ werden in de achttiende eeuw de bestuurders van adellijke afkomst aangeduid. Arnhem was, als hoofdstad van Gelderland, het centrum voor de provinciale jonkers. Met o.a. het Hof van Gelre, de Rekenkamer en het bestuur van het Kwartier van Arnhem/Veluwe was het op de Markt een komen en gaan van jonkers.

Bronnen en literatuur
J.A.E. Kuys, ‘De financiële instellingen van het hertogdom Gelre. Een inventariserend overzicht’, in: F. Keverling Buisman, O. Moorman van Kappen en F.W.J. Scholten (red.), Van hertogdom Gelre tot provincie Gelderland. Hoofdstukken uit de geschiedenis van Bestuur en Bestuursinrichting van Gelderland 1339-1989, Nijmegen 1990 (Werken Gelre 39), 27-51, vooral 48-50.

F. Keverling Buisman, ‘De bestuurlijke organisatie van het gewest Gelre (1543-1795/1798)’, in: F. Keverling Buisman, O. Moorman van Kappen en F.W.J. Scholten (red.), Van hertogdom Gelre tot provincie Gelderland. Hoofdstukken uit de geschiedenis van Bestuur en Bestuursinrichting van Gelderland 1339-1989, Nijmegen 1990 (Werken Gelre 39), 53-74.

F. Keverling Buisman, ‘De advocaten bij het Hof van Gelre en Zutphen. Admissie, studie, herkomst en carrière’, in: BMGelre 101 (2010), 115-144, vooral 128-132.

Hof van Gelderland

Hof van Gelre, 1741
Het gebouwencomplex van het Hof van Gelderland aan de oostzijde van de Markt, Rechts de Sabelspoort aan de zuidzijde van de Markt. In de gebouwen resideerden o.a. het Hof van Gelre (rechtspraak en dagelijks bestuur) en de provinciale Rekenkamer. Veel leden van het bestuur van Gelderland waren van adellijke afkomst, de jonkers.
Voor het hof zijn het ‘houten paard’ en de ‘schandton’ te zien, Deze strafwerktuigen werden voor de strafuitvoering van het gerechtshof gebruikt, te zien.
Bron: Jan de Beijer, De Grote Markt te Arnhem in het midden der 18e eeuw, 1742.
© Gelders Archief: 1551-3969, tekenaar Jan de Beijer, Public Domain Mark 1.0.

Hof van Gelderland
Beckeringh: ‘het Hoff’ van Gelderland’
Bolhuis: ‘tegens over het Hoff van Gelderlant’

‘Sijnde teegenvvoordig een groot, ouwerwets gebouw, waarvoor een plijn is tuszen twee fleugels, ingaande van de Groote markt over de beek door een hartsteene poort, sijnde aan weerskante verziert mit een ronde Joonice pilaar, waarbooven een platte lijst mit een schuyne opgaande frontispis waarin het waapen van Gelderland.
Sijnde booven op het frontispis twee leggende krijgshelden mit een harnas tuszen bijde verbeelt. Dit plijn overgaande is int midden een hartsteene ingang en aan de suydsijde een vierkante steene tooren, hebbende dit hof van agter een groote stal en tuyn, loopende tot aan de stadtswal’.

Bron: J.W. Gensel, ‘Beschrijving der Stadt Arnhem, behelzende haar begin, opkomst en lotgevallen, alsmede de voornaamste gebouwen van kerken, cloosters, poorten en andere gestichten; mit egte bijlaage. Meegedeeld en becommentarieerd door J.J.S. Baron Sloet’, in: BMGelre 14 (1911), 319-394, 3423-343.

Bronnen en literatuur
C. Hilberdink, Gelre’s hof. Van paardestal tot Huis der Provincie, Zutphen 1983.

F. Keverling Buisman, ‘Hof van Gelre en Zutphen. Hoofdlijnen van het procederen in civiele zaken’, Hilversum 2022.

Wandelen langs de Rijn

Rijnoever, 1760
In opdracht van het stadsbestuur had stadstimmerman Leendert Viervant sr. (1689-1762) tussen de schipbrug en de haven een kade ontworpen en aangelegd. In 1736 was deze gereed. Ten oosten van de schipbrug, langs het ‘Nieuwe Werk’ (nu de Weerdjes), lag slechts een voetpad.
Detail van een kaart getekend door S. Mooser,
© Gelders Archief: 1551-76, S. Mooser, Topografisch-historische Atlas Gelderland. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij). Grote versie volledige kaart: https://permalink.geldersarchief.nl/DAB2922889884F29A016F1EFAE943092

Langs den Rhijn
Beckeringh: ‘gingen langs den Rhijn weder na den herberg’
Bolhuis: ‘gingen langs den Rhijn weder na de Herberg’

De vesting Arnhem lag in de achttiende eeuw aan de noordoever van de Rijn. Vier jaar voordat de heren langs de Rijn liepen, was op het westelijke deel, tussen de haven en de schipbrug, een stenen kade aangelegd. Bovendien waren toen stenen brughoofden voor de schipbrug gebouwd. De Rijnkade, zoals we die nu kennen tussen de Mandela- en Frostbrug, werd ruim honderd jaar later aangelegd.
In 1740 liep vanaf de Markt en de Sabelspoort niet meer dan een smal pad tussen de vestingmuren en de rivier.

Bronnen en literatuur
T. Burgers, Watermonumenten. Beken, bruggen, dijken en gemalen in Arnhem, Utrecht 2010, 46-47, 51.

Th.H. von der Dunk, ‘Viervant in Gelderland: de opkomst van een Arnhems geslacht van bouwmeesters in de achttiende eeuw’, in: BMGelre 88 (1997), 102-139.


J.W. Gensel, ‘Beschrijving der Stadt Arnhem, behelzende haar begin, opkomst en lotgevallen, alsmede de voornaamste gebouwen van kerken, cloosters, poorten en andere gestichten; mit egte bijlaage. Meegedeeld en becommentarieerd door J.J.S. Baron Sloet’, in: BMGelre 14 (1911), 319-394.

J.G.A. van Hogerlinden, ‘De Rijnkade’, in: Arnhemsche Courant, 24 december 1925. Grote versie volledige krantenpagina via KB-Delpher:
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB08:000105635:mpeg21:p016

A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen,Arnhem 1907, 438-441.

C.J.M. Schulte-van Wersch, ‘Viervant’, in: J. Vredenberg (red.), Architecten in Arnhem, Oosterbeek en Velp. Ontwerpers van gebouwen, stedelijke ruimte en landschap tot 1965, Utrecht 2019, 30-39.

T. Seebach, De Arnhemse Rijnoevers. Wonen, werken en recreatie aan de rivier, Utrecht 2014
, 11-12.

J.W. Staats Evers, Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld, Arnhem 1876,
73.

G. Visser, ‘Meinerswijk en De Praets’, in: Kringbulletin Historische Kring Elden 32 (2013-117), 6-12.

Drielse veerhuis

De Veermans Huijs, 1649
Het Drielse veer met het veerhuis gezien vanuit het zuiden, uitsnede van een zeventiende-eeuwse kaart.
© Gelders Archief, Gelderse Rekenkamer, toegang 0012, inv.nr. 689, kopie door Willem Leenen van een kaart van Johannes Wichman uit 1649, Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal: https://permalink.geldersarchief.nl/22A13B9891AE45EEA3F1971E29258ECA

Drielsche veerhuis
Beckeringh: ‘Arriveerden vervolgens te twee uir van den hogen weg, beneden an den Rhijn, tegenover het Drielsche veerhuis’
Bolhuis: ‘arriveerden om twee uur van den hoge wegh, beneden aan den Rhijn, tegens over het Drielsche Veerhuis’

Bronnen en literatuur
F. Busch. Een geschiedenis van het Drielse veer en die van de pachters Busch, Den Burg 2022 (uitgave in eigen beheer), 16-20.

Drielse veer

Veerboot zet wagen over
Detail van een ets Jan van de Cappelle, Rivierlandschap met veerboot (1640-1684, naar Jan van Goyen), Rijksmuseum Amsterdam RP-P-OB-60.024; http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.118063

Al kloetjend over de Rijn
Beckeringh: ‘wierden na een half uir wagtens, al kloetjende overgezet
Bolhuis: ‘wierden na een half uur wagtens, met de pont en kloetjende overgezet’
Het veer bracht de heren ‘al kloetjende’, al bomende, over. Met een vaarboom werd de boot door de veerschipper naar de overkant geduwd. Een teken dat de Rijn niet al te diep kan zijn geweest.

Al rond het jaar 1000 zette het Drielse veer mensen, vee en goederen over van Driel naar Oosterbeek, in het bijzonder voor een kerkgang naar de katholieke kerk daar. Op een kaart uit de tweede helft van de zestiende eeuw heeft de veerboot een zeil. Misschien dat door een ongunstige wind de oversteek in 1740 niet met windkracht kon worden gedaan. 
Het veer werd in 1669 door de inmiddels hervormde kerk in Oosterbeek overgedragen aan de stad Arnhem. Arnhem verkocht in oktober 1845 het veer met het veerhuis en een stuk grasland voor ƒ11.310,- weer aan de Oosterbeekse fabrikant Johannes Backer (1790-1872). De eigenaarsoverdracht van het veer vond plaats op 1 mei 1846.

Bronnen en literatuur
Gelders Archief, Hof van Gelre en Zutphen, toegang 0124, inv.nr. 4960, civiele processen 1568 no. 10. tussen Oosterbeek en Mariëndaal; https://permalink.geldersarchief.nl/1EC592985ABF48CFA2AD91920C37D8B0

F. Busch. Een geschiedenis van het Drielse veer en die van de pachters Busch, Den Burg 2022 (uitgave in eigen beheer), 7-29.

A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen, Arnhem 1907, 144.

Driel

Kerk te Driel, 1732
De Hervormde Kerk in Driel gezien vanuit het oosten, vanuit de richting Arnhem en het Drielse veerhuis.
© Gelders Archief, Topografisch-historische Atlas Gelderland, toegang 1551, inv.nr. 3816, Cornelis Pronk, De kerk te Driel, 1732. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij); https://permalink.geldersarchief.nl/FCA1BAA67A23468B831827412122EEC5

Driel
Beckeringh: ‘landende voort daarna in de Betuwe, nabij het dorp Driel’
Bolhuis: ‘landende kort daar na in Betuwe na bij het dorp Driel’

Het dorpscentrum van Driel met de kerk ligt bijna anderhalve kilometer westelijk van het Drielse veerhuis.

‘Mekren’ is Meinerswijk

Het ‘gehugt Mekren’ is Meinerswijk
Een deel van de polder Meinerswijk ten zuiden van Arnhem was tussen 1504 en 1686 bezit van het geslacht Van Mekeren. Nog tot ver in de achttiende eeuw werd het Huis Meinerswijk en de omliggende boerderijen ‘Mekren’ genoemd.
Detail van een kaart vervaardigd door Didier Robert de Vaugondy (1723-1786) en uitgegeven in Parijs in 1748.

Het ’gehugt Mekren’
Beckeringh: ‘reeden over den Rhijnschen dijk, voorbij het gehugt Mekren’
Bolhuis: ‘over den Rhijnschen Dijk voorbij het gehugt Mekren’

Het reisgezelschap werd vanuit Oosterbeek met het Drielse veer overgezet naar de Betuwe. Daar volgden ze de bandijk richting Elden om via de weg langs de Grift naar Nijmegen te gaan.

Bronnen en literatuur
‘Arnhem in de loop der eeuwen XIII’, in: Arnhemsche Courant, 2-4-1932; via KB-Delpher: https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?coll=ddd&identifier=MMKB08:000107756:mpeg21:p014

R.C.M. Wientjes, Een heerlijkheid in de bocht. Kaartboek van de polder Meinerswijk bij Arnhem, Zwolle 1995.

Rijndijk en Griftdijk

Elden met Rijn- en Griftdijk, 1748
Op de kaart ligt het zuiden boven. Linksonderaan een deel van de trekvaart de Grift met ten oosten (links op de kaart) daarvan de ‘Klijdijck’ en westelijk daarvan de ‘Meijerswijkckse Polder’.
De Grift naar boven, het zuiden, volgend zien we links, met het jaartal 1740, de ronde Spiekerskolk. Dan volgt na de Rijndijk (‘Banddijck’) de kolk bij het ‘Swaantien’ in een liggende 8-vorm. Deze ontstond bij een overstroming in 1711. In het aangelegde ringdijkje na die dijkdoorbraak zaten sluisdeuren voor het scheepvaartverkeer, de Eldense sluis.
Deel van een kaart van landmeter Willem Leenen met de titel: ’Caart van den Eldensen dijck, den stads en Meijerswyckse dammen en bandyck, met de verdere dammen soo tussen den Rhijn en den Overbetuwse banddijck…beneeden de stad Arnhem, dienende tot de projecten die tot verbeeteringh van den Eldensen dijck sijn geformeert’.
© Gelders Archief, Archief Gelderse Rekenkamer, toegang 0012, inv.nr 571-0001, Willem Leenen. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij). Grote versie volledige kaart:
https://permalink.geldersarchief.nl/03BC0D9BE4F640229830717316C281AB

Het reisgezelschap nam de weg langs de Grift ter hoogte van het dorp Elden. Daar kruiste de Rijndijk tussen Elden en Driel de trekvaart met Griftdijk tussen Arnhem en Lent/Nijmegen. Juist dit punt werd in 1711 door een overstroming weggeslagen. Hierdoor ontstonden twee kolken, die na verloop van tijd in elkaar overliepen en het cijfer acht vormden, de wiel bij ’t Zwaantje. ’t Zwaantje was een uitspanning, die hier vanaf 1746 was gevestigd. Na de overstroming werd de dijk in een kromming om de nieuwe kolk heengeleid en over die kromme dijk reden de plezierreizigers in 1740.

In de Swaan, 1746
Vroegere gevelsteen van Het Zwaantje die bij de bouw van de herberg in de muur werd aangebracht.. De tekst op de steen luidt ‘Ano 1746’ – In De Swaan’. De steen bevindt zich nu in een depot van Museum Arnhem.  Museum Arnhem GM2000.068.

In de Swaan, 1746
Het jaartal in de gevelsteen verraadt dat de uitspanning ’t Zwaantje kort na de overstroming van 1741 aan de bandijk bij Elden werd gebouwd.

Weg langs de Grift

De Grift bij Elden, 1635
Het noorden is op deze kaart rechts. Bovenaan de kaart loopt vanuit het midden de Rijndijk naar Elden onderaan op de kaart. In het midden zien we van rechts (richting Arnhem) naar links (richting Elst-Nijmegen) de Grift, met vaart en bijbehorende dijk. De kern van het dorp Elden met kerk ligt net ten oosten van de Grift. Rechtsboven de polder Meinerswijk.
Detail van een kaart van Nicolaes en Isaac van Geelkercken
© Gelders Archief: 558-0016, Niclaes en Isack Geelkerck (1635). Archief Gasthuizen en gilden in Arnhem, Kaartboek St. Catharinagasthuis. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij). Grote versie volledige kaart:
https://permalink.geldersarchief.nl/C785701DD9A1446C9DE4CAC2C34B5D24

Langs de Grift
Beckeringh: ‘langs den Grift’
Bolhuis: ‘langs de Grift’

De Grift tussen Arnhem en Nijmegen was de eerste gegraven trekvaart van Nederland en werd in 1610 opengesteld. Minstens zo belangrijk als de waterweg was het (jaag)pad dat op een dijkje naast de vaart werd aangelegd. Die zorgde voor een snelle landverbinding tussen Arnhem en Nijmegen. Vanaf de aanleg van de Grift(dijk) hoefden reizigers over land niet meer via Huissen en Bemmel, wat een enorme omweg was, te reizen.
Door achterstallig onderhoud verzandde de Grift voortdurend en werd in 1742 definitief buiten gebruik gesteld. Delen van de trekvaart en ook de oude Griftweg, zijn tot op de dag van vandaag goed herkenbaar bij het tracé van de (oude) Rijksweg tussen Arnhem-Elst-Nijmegen.

Bronnen en literatuur
C.J.B.P. Frank en J.H.J. van Hest, Elden. Betuws dorp in Arnhem-Zuid, Utrecht 2002, 14-15.

P.M.M. Klep, ‘Economische en sociale ontwikkeling’, in: F. Keverling Buisman (red.), Arnhem van 1700 tot 1900,Utrecht 2009, 116-171, vooral 131.

G. Visser, Elderveld vanuit historisch perspectief’, in: F.X.M. Kleijn e.a., Elderveld. Een nieuwe Arnhemse wijk op oude grond, Utrecht 2015, 19-32, aldaar 20-21

M.R. Potjer, ‘Arnhemse schippers en de Betuwse Grift, 1607-1657’, in: Arnhems Historisch Tijdschrift 39 (2019-4), 204-219.
R. Wartena, ‘De grift van Arnhem naar Nijmegen, ’in: Arnhemsche Courant (drie delen), 3, 10 en 17 januari 1959.

R.C.M, Wientjes, Een heerlijkheid in de bocht. Kaartboek van de polder Meinerswijk bij Arnhem. Zwolle 1995 (Uitgeverij Waanders), 16-21, 32-33.

Tol bij Elst

Tol Sevenbruggen bij Elst
De weg langs de Grift kruiste ten zuiden van Elst het riviertje de Linge. Bij de brug werd tol geheven. Uitsnede van een kaart van Nicolaas van Geelkercken.
© Gelders Archief, Tiendcommissie in het tweede Tienddistrict te Arnhem; Kaarten, toegang 0302, inv.nr. 71, kaart van Nicolaas van Geelkercken dec. 1653; gekopieerd door F.I. Couwater maart/april 1750. Public Domain Mark 1.0 licentie (auteursrechtenvrij), digitaal: https://permalink.geldersarchief.nl/92721CC396F744C6AF8B64316608850B

Acht stuivers tol bij Sevenbruggen
Beckeringh: ‘betaalden aldaar an het tolhek agt stuivers tol’
Bolhuis: ‘betaalden al daar agt Sts: tol’

De tol werd op de weg langs de Grift geheven bij de brug over de Linge, even ten zuiden van de dorpskern van Elst. Na het graven van de Grift telde de Linge  in de omgeving van Elst geen vijf maar zeven bruggen en daar dankte de tol zijn naam aan. Tegenwoordig is de tol vooral bekend als ‘De Oude Tol’.
Het gezelschap betaalde acht stuivers; één stuiver per persoon, en vier stuivers voor de tweewielige phaeton met twee paarden.

Bronnen en literatuur
F. Hoogveld, ‘De tol bij de Zevenbruggen te Elst in het midden van de achttiende eeuw’, in Tabula Batavorm 17, (1999), 4-15.

Bronnen en literatuur

De originele handschriften van Beckeringh en Bolhuis bevinden zich respectievelijk in het  Regionaal Archief Nijmegen en de Groninger Archieven en zijn digitaal te raadplegen.

T. Beckeringh, Journal of Dagverhaal van een Plaisir Reisje van Groningen na Kleef, gedaan in den Jare 1740, in: Regionaal Archief Nijmegen, Collectie losse aanwinsten 1500 – heden toegang 610, inv.nr. 48, 71-74 (scan 43-45); https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=0-1&id=2128496048

T. Beckeringh, ‘”Journal of dagverhaal van een Plaisir Reisje, van Groningen na Kleef, in 1740 door P. Muntinghe J.U.D., A.H.W. de Vriese J.U.D., M. van Bolhuis advocaat en mij Theodorus Beckering J.U.D.”, enz’, in: De Navorscher 45 (1895), 349-372, 495-512,  676-699 en 725-746, het fragment over Arnhem op 510.

M. van Bolhuis, Reize naar Kleef, in: Groninger Archieven,
toegang 493, inv.nr. 204, Archief Families van Bolhuis, Arkema en van Zeeburgh,
1603 – 1927, Journaal door M. van Bolhuis van een reis naar Kleef tezamen met P.
Muntinghe, L. Beckeringh en A.H.W. de Vriese, 1740, 126-132 (scan 129-135);
https://hdl.handle.net/21.12105/9EC288609A7040B79AB7EFFE8D4CEB73
In de inventaristitel staat abusievelijk L. Beckeringh; dit moet T. Beckeringh zijn.

Noten

  1. T. Beckeringh, Journal of Dagverhaal van een Plaisir Reisje van Groningen na Kleef, gedaan in den Jare 1740, in: Regionaal Archief Nijmegen, Collectie losse aanwinsten 1500 – heden toegang 610, inv.nr. 48, 71-74 (scan 43-45); https://studiezaal.nijmegen.nl/detail.php?nav_id=0-1&id=2128496048
    Het reisverslag van Beckeringh is, met kleine verschillen ten opzichte van het handschrift in druk verschenen:
    T. Beckeringh, ‘”Journal of dagverhaal van een Plaisir Reisje, van Groningen na Kleef, in 1740 door P. Muntinghe J.U.D., A.H.W. de Vriese J.U.D., M. van Bolhuis advocaat en mij Theodorus Beckering J.U.D.”, enz’, in: De Navorscher 45 (1895), 349-372, 495-512,  676-699 en 725-746, het fragment over Arnhem op 510. ↩︎
  2. M. van Bolhuis, Reize naar Kleef, in: Groninger Archieven, toegang 493, inv.nr. 204, Archief Families van
    Bolhuis, Arkema en van Zeeburgh, 1603 – 1927, Journaal door M. van Bolhuis van
    een reis naar Kleef tezamen met P. Muntinghe, L. Beckeringh en A.H.W. de
    Vriese, 1740, 126-132 (scan 129-135); https://hdl.handle.net/21.12105/9EC288609A7040B79AB7EFFE8D4CEB73
    In de inventaristitel staat abusievelijk L. Beckeringh; dit moet T. Beckeringh zijn.

    . ↩︎
  3. A.E. van Bolhuis, Reise na Amsterdam Ao 1705, in: Groninger Archieven, toegang 493, inv.nr. 53 Archief Families van Bolhuis, Arkema en van Zeeburgh, 1603 – 1927, Journaal van de reizen van Abel Eppo van Bolhuis, 1692-1705. Met het verslag van een reis door Michiel van Bolhuis in 1680 naar Duitsland, reis nr. 10 fol. 42-44 (scan 381-383); https://hdl.handle.net/21.12105/CE8C05CCCE294C3784C941B21FEC8180  ↩︎