Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
    Heksenvervolging, 1500-1600
    Pest, 1550-1650
    Galgenberg
    Beul
    Burgemeesters vanaf 1824
    Gemeentegrens
    Geschiedenis Bibliotheek Arnhem
    Wederopbouwmonumenten
    IJssellinie bij Arnhem
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Heksenvervolging

Overzicht

Inleiding
De heksenprocessen voor 1500
De eerste golf: toverijprocessen rond 1550
De tweede golf: toverijprocessen rond 1600
Johannes Wier
De Arnhemse duivelsgeboorte
Het Duivelshuis in Arnhem
Het verleden in het heden
Literatuur


 


Naar boven

Inleiding

Heksen en heksenvervolgingen worden meestal in verbinding gebracht met de middeleeuwen. De grootste heksenvervolgingen vonden in Europa echter na 1500 plaats.
Heks is één van de vele namen voor diegenen die zich met duivelse praktijken bezig hielden. Het begrip ‘toverij’ omschrijft waarschijnlijk beter alle activiteiten die op hekserij betrekking hebben. Mannen werden vaak aangeduid als tovenaar en vrouwen als tovenares en niet als heksenmeester of heks. In alle gevallen is er sprake van contact met de duivel.
Wie er ook van beschuldigd werden van contacten met de duivel, waren de ketters. De vervolging en processen van hen laten we hier buiten beschouwing. In de toekomst zal een apart hoofdstuk over kettervervolging in Arnhem op deze website volgen.
De publicatie van het boek De Heksenhamer, Malleus Maleficarum, in 1487 was de aanleiding voor een toename van de heksenprocessen.
De invloed van dit boek, of de ideeën daaruit, in Nederland is al jaren onderwerp van discussie tussen geschiedwetenschappers. Het is wel duidelijk dat het aantal heksenprocessen, in vergelijking met andere delen van Europa, in Nederland en zeker in Gelderland mee viel.
In Gelderland was voor Arnhem een centrale rol in de heksenprocessen weggelegd door de aanwezigheid in de stad van de gewestelijke rechtbank, het Hof van Gelre. Deze rechtbank, bij haar vestiging in 1543 Kanselarij genoemd, behandelde vanaf 1547 heksenprocessen uit heel Gelre. Daarnaast kwamen drie vrouwen op de beschuldiging van heks te zijn voor de schepenbank van het Arnhemse stadsbestuur.
Tussen de plaatselijke Arnhemse Schepenbank en het gewestelijke Hof van Gelre was nogal eens onenigheid over beider zeggenschap.
Een belangrijke plaats op deze pagina wordt ingeruimd voor Johannes Wier, één van de weinigen die zich openlijk tegen de heksenvervolgingen uitsprak. Zijn verblijf van vijf jaar in Arnhem is van grote invloed geweest op de rechtspraak in de stad.
Dit hoofdstuk wordt afgesloten met twee ‘duivelse’ praktijken in Arnhem: de zogenaamde duivelsgeboorte in 1575 en het Duivelshuis, het Maarten van Rossumhuis.


 

Velperpoort



Naar boven

De heksenprocessen voor 1500

In 1408, ruim voor het uitbrengen van De Heksenhamer vond in Arnhem een heksenproces plaats. De vrouwen Mechteld en Stijnken werden verdacht van toverij en in de Sint-Janspoort gevangen gezet. Mechteld werd even later vrijgelaten en kreeg een schadeloosstelling van 36 schellingen. Haar onschuld was waarschijnlijk aangetoond. Stijnken daarentegen werd berecht.
In 1423 werden twee vrouwen wegens toverij en vergiftiging naar de hertog in Arnhem gebracht. Wat er daarna gebeurde, is onbekend gebleven.




Naar boven

De eerste golf: toverijprocessen rond 1550

In 1548 werd Jacob Judoci de Rosa op verdenking van toverij voor het Hof van Gelre gebracht. Hij zou een ring bezitten, waarin de duivel zich verborg. De verdachte had ook boeken met toverformules en bezweringen. Zonder gemarteld te zijn, bekende hij alles. De rechtbank oordeelde dat de ring stuk geslagen moest worden, de boeken verbrand en dat Jacob uit Gelre en Zutphen verbannen werd.
In 1550 stond een vermeende een tovenaar uit Nijkerk, Jochum Bosch, voor het Hof van Gelre. Deze Jochum beschuldigde enkele vrouwen ervan heks te zijn. Mede door toedoen van stadsgeneesheer Johannes Wier (zie ook verderop) werd de man verbannen uit Gelre.
In 1555 werd het Hof van Gelre ingelicht over de verbranding van drie toveressen in Nijmegen. Twee jaar later gebeurde datzelfde bij de verbranding van twee toveressen.
Ook in het jaar 1557 werd het Hof op de hoogte gebracht van een heksenproces in Zaltbommel, waarbij de vrouw, Jocoba Gerrits, op de brandstapel belandde. Het Hof had nog gevraagd of Jacob de Rosa of Jochum Bosch er ook bij betrokken waren. Een andere opmerkelijke gebeurtenis was, dat de beul zelf bij de verbranding ook gewond raakte. De wind draaide plotseling en het vuur liet de scherprichter niet onberoerd.
In 1559 en 1560 voerde het Hof een briefwisseling met plaatselijke rechters over heksenprocessen in de Nederbetuwe (Beatrix Jans) en Nijmegen (Herman Smit).



Naar boven

De tweede golf: toverijprocessen rond 1600

In 1582 werd Weyndell van Dillen uit Etten in de Achterhoek door het Hof verbannen, omdat zij bekende tovenarij te beoefenen.
In 1594 begint een tweede grote golf van heksenvervolgingen.
In dat jaar keurde het Hof een besluit van de ambtman van Overbetuwe goed waarin Merry Rembolt uit Eimeren bij Elst, op beschuldiging van toverij tot wurging en verbranding was veroordeeld in juli 1594. Het vonnis werd als zodanig ook uitgevoerd.
In hetzelfde jaar werd een rechtszaak wegens tovenarij gevoerd tegen een, in Millingen geboren, schoenmaker, Arnt van den Voerthuysen. Hij bekende contact te hebben met de duivel en te kunnen zien of dieren betoverd waren. Het vonnis in november 1594 luidde dat hij gegeseld zou worden in het openbaar, zijn rechteroor werd afgesneden en daarna verbanning ui Gelre en Zutphen.
Het Hof werd ook om advies gevraagd van een van toverij verdachte vrouw, Ael van Essen, uit Ede. Uiteindelijk werd ze verbannen, nadat vijftien inwoners zich ten gunste van haar hadden uitgesproken.
Het meest geruchtmakende proces van het Hof van Gelre vond plaats in 1595, toen Johan Martenssen van Steenhuyssen, vooral bekend onder de naam Hans Poeck, door zijn eigen dochter werd aangeklaagd. De vader werd beschuldigd van het plan om het huis van de dochter in brand te steken om haar en haar kinderen te doden. Ook zou hij een herbergierster uit Lent (bij Nijmegen), Neeltje, hebben betoverd. Daarnaast zou Hans Poeck een weerwolf zijn geweest.

De aanklacht werd gedaan bij de ambtman (bestuurder) van de Overbetuwe, die de zaak doorspeelde naar de Schepenbak van Arnhem. In afwachting van het proces werd Hans Poeck in de St. Janspoort opgesloten. Toen Hans Poeck tijdens het proces om de waterproef vroeg en dit geweigerd werd door de Schepenbank, kwam de zaak in handen van het Hof van Gelre. Als de verdachte tijdens de waterproef zou blijven drijven, was hij schuldig.
Voor het Hof bekende de verdachte “so buyten als in pijnen”, dus zonder en met martelingen, al zijn misdaden. Hij zou een lapje doek, ”een sletgen”, hebben ontvangen. Dit doekje scheen als goud, maar eenmaal opgevouwen, stonk het als modder. Zodra hij dit doekje op zijn hoofd legde, veranderde hij in een weerwolf en wanneer hij dan een dier aanraakte, stierf deze binnen een paar dagen.
Het Hof veroordeelde Hans Poeck op 7 augustus 1595 tot de doodstraf: ”om aen een staeke, na dat hij eerst daer aen geworcht sal sijn, gebrant te worden, sulx dat die doot daerna volghe”. In hedendaagse woorden: eerst aan een paal gewurgd en daarna verbrand. Dezelfde straf dus als in 1594 voor Merry Rembolt werd uitgesproken.
Het is de enige doodstraf die daadwerkelijk door het Hof voor een heks/tovenaar ten uitvoer werd gebracht. Bij de andere doodvonnissen had het Hof een adviserende rol.

Het stadsbestuur van Arnhem bepaalde in 1596 in een gemeentelijk besluit, een keur, dat alle tovenaars, duiveluitbanners op de dood moesten rekenen.
Toch was het stadsbestuur voorzichtig met het uitspreken van deze straf. Toen in 1597 niemand minder dan de predikant van de Grote Kerk, Johannes Fontanus, een vrouw voor de rechtbank bracht, die bekende een duiveluitbanster te zijn, werd de doodstraf niet uitgesproken. De vrouw werd uit de stadsgevangenis, de Kaelkelder (de gevangenis van de Sabelspoort), overgebracht naar de St. Janspoort. In de gevangenis van deze stadspoort werden ook de verdachten van Hof van Gelre opgesloten. De Arnhemse Schepenbank besliste tot geseling. Deze straf werd nooit uitgevoerd omdat de Arnhemse Schepenbank met het hof van Gelre van mening verschilde over niet uit Arnhem afkomstige verdachten/misdadigers.
In 1601 moest Anna Sturms voor de Schepenbank verschijnen omdat zij gekend en bekend was om toverij, benaempt en befaemt van toverie. Zij werd gemarteld, maar bleef ontkennen een tovenares te zijn. Bij dit proces werd de verdachte verdedigd door een advocaat, mr. Lambertus Croll. Een gebeurtenis die bij de andere processen ontbrak. Op 3 maart werd de straf uitgesproken: de vrouw straf werd levenslang uit de stad verbannen. Toen zij de stad verliet, werd zij door de Arnhemse burgers uitgescholden en met sneeuwballen en stenen bekogeld.
Het laatste bekende ‘toverijproces’ in Arnhem vond plaats in 1614 toen de Arnhemse schepenbank de van toverij verdachte Merrij Janssen werd verbannen. De aanbrenger van de verdachte kreeg de opdracht om geen kwaad meer over haar te spreken.



Naar boven

Johannes Wier

Arnhem mag er trots op zijn dat één van de beroemdste tegenstanders van de heksenvervolging jarenlang binnen haar stadsmuren verbleef. Dat de heksenjacht in Arnhem en Gelre geen grote vormen aannam, was voor een deel zijn verdienste.
Johannes Wier (Weyer, Wierus) werd in 1515 in Grave (Noord-Brabant) geboren in een rijk gezin. Zijn vader was groothandelaar in hop, grondstof van volksdrank nummer één: bier. Na zijn schooltijd in ’s Hertogenbosch verhuisde Johannes naar Antwerpen waar hij als leerling-huisgenoot introk bij Henr. Corn. Agrippa von Nettesheim. Deze Agrippa was daar als juridisch, medisch en astrologisch adviseur werkzaam. Zijn boeken over de occulte wetenschappen, de eigenschappen van de vrouw en over de onzekerheid van de traditionele wetenschappen trokken veel aandacht. Humanisten als Erasmus behoorde tot de bewonderaars van Agrippa. De klassieke wetenschappers van de universiteit van Parijs en Leuven veroordeelden Agrippa’s boeken en de publicaties werden in het openbaar verbrand.
In 1532 moest Agrippa Antwerpen verlaten en hij vestigde zich, samen met zijn leerling Johannes Wier, in Bonn, waar hij bescherming kreeg van prins-bisschop Hermann von Wied. Een jaar later voltooide hij het driedelige werk De occulta philosopia, waarin hij o.a. schrijft over de invloed van demonen (duivels) op de mens. Twee jaar na het verschijnen van het boek stierf Agrippa tijdens een reis naar Frankrijk in 1535 op de leeftijd van 49 jaar
Na zijn leertijd bij Agrippa ging Johannes Wier medicijnen studeren in Frankrijk, eerst in Parijs, later in Orleans. Na zijn studie vestigde hij zich weer in zijn geboorteplaats als arts.
In 1545 wordt Johannes Wier, op advies van de stadhouder, door de gemeente in dienst genomen als stadsgeneesheer met een jaarsalaris van 100 Carolusguldens. Omdat Arnhem dit bedrag eigenlijk niet kon betalen, gaf keizer Karel V een subsidie van 18 Carolusguldens. In 1550 bleek ook dit niet voldoende te zijn, want dan verbreekt Arnhem het contract met Johannes Wier omdat de stad niet in staat is het salaris te betalen. Wier wordt dan hofarts bij hertog Willem van Kleef .
Tijdens zijn verbvlijf in Arnhem kwam Wier in aanraking met verschillende gevallen van toverij en de daarmee gepaard gaande rechtszaken voor de Schepenbank of het Hof van Gelre. Het betreft de voorvallen in 1548 en 1550 (Jacob Judoci de Rosa en Jochum van Bosch) en in 1557, toen hij al uit Arnhem was vetrokken, werd zijn advies gevraagd bij de verbranding van andermaal twee vrouwen uit Nijmegen.
Waarschijnlijk naar aanleiding van deze gebeurtenissen publiceerde Wier in 1563 zijn boek De Praestigiis Daemonum et Incantatiponibus Ac Veneficiis, Over Demonische Illusies c.q. Over de zinsbegoocheling door de duivels. Het boek verscheen onder bescherming van de Duitse Keizer Ferdinand I en hertog Willem van Kleef en aan de laatste werd het boek opgedragen. Voor het boek bleek grote belangstelling, want binnen een aantal jaren verschenen er verschillende Latijnse, Duitse en Franse uitgaven.
De kern van Wiers betoog was dat bezetenheid niet op de heksen zelf toegeschreven kan worden, maar door zinsbegoocheling door demonen. Heksen waren in de ogen van Wier niet schuldig, maar ontoerekeningsvatbaar. Volgens Wier waren heksen vooral oude, arme vrouwen die in besloten gemeenschappen gemakkelijk dingen aangepraat konen worden
Wier onderzocht zelf ook heksen. Zo nam hij samen met zijn vrouw een meisje in huis, dat onder duivelse invloed al enkele maanden niets gegeten zou hebben. Wier kwam er al snel achter dat de zus van het meisje haar stiekem eten gaf. Na een paar weken verzorging, begon het meisje weer normaal te eten.

Wier’s visie getuigt van een psychiatrische aanpak en het opkomen voor de positie van de vrouw. De invloed van zijn leermeester Agrippa is nog duidelijk te herkennen. Wier zette zich duidelijk af tegen het grote heksenvervolgingsboek De Heksenhamer, maar het mocht niet veel baten. Nog meer dan het boek van Wier, werd De Heksenhamer gedrukt en kreeg Wier te maken met een geweldige tegenstander, de Franse staatsrechtgeleerde en adviseur van de Franse koning Jean Bodin.
In 1577 gaf Wier een korte versie van zijn boek uit De Lamiis Liber, Boek over de Heksen. Een jaar later werd Johannes als hofarts bij hertog Willem van Kleef opgevolgd door zijn zoon Galenus, genoemd naar de beroemde Romeinse arts uit de tweede eeuw na Christus. Zelf beef Johannes nog actief als arts. Bij een ziekenbezoek in het Duitse Tecklenburg in februari 1588 overleed hij.


 


Naar boven

De Arnhemse duivelsgeboorte

In Arnhem zou in 1575 een duivel geboren zijn. Het verhaal, opgetekend in 1576, gaat als volgt:
Ondanks dat zijn vrouw zwanger is, bezoekt een rijke Arnhemmer regelmatig het bordeel. Zijn vrouw zoekt hem daar op en maakt daar flink ruzie met hem. Hij wil zijn vrouw te lijf gaan, maar zijn vrienden houden hem tegen en vragen hem rekening te houden met de zwangerschap van zijn echtgenote. De man daarop zegt: “Voor mijn part is ze zwanger van een duivel.” Waarop de vrouw antwoordt:’ Ik wou dat het waar was.” De vrouw gaat terug naar huis en op 23 november 1575 bevalt zij. Onder verschrikkelijke weeën komt een afgrijselijk monster ter wereld: geheel begroeid met lang zwart haar met een spierwitte kale buik. In plaats van benen heeft het poten als van een pauw, de handen zijn lange klauwen en het draagt een lange staart. De mond is een kraaiensnavel, de ogen als vurige fakkels en op het hoofd twee horens. Het monster ontsnapt uit de handen van de vroedvrouw, maar gelukkig weet men het tussen twee bedden ter dood te brengen door het te verstikken.


 


Naar boven

Het Duivelshuis in Arnhem

Achter de Grote of Eusebiuskerk, aan het einde van de Koningstraat, kwam rond 1520 veldheer Maarten van Rossum (Marten van Rossem) in het bezit van een vroegere hofstede (stadsboerderij). Hij verbouwde dit huis en liet duivelsfiguren, saters, aanbrengen bij een openbare doorgang op de begane grond. Deze duivels gaven het huis zijn naam, hoewel vele andere volksverhalen over de naamgeving de ronde hebben gedaan.



 


Naar boven

Het verleden in het heden

Van de heksenprocessen en toverijprocessen is vandaag de dag nog maar weinig bewaard gebleven. De Sabelspoort, waarin soms verdachten werden ingesloten, bestaat nog als laatste restant van de stadspoorten.
Het Hof van Nassau en het Prinsenhof, de twee gebouwcomplexen waarin Hof van Gelre afwisselend in het zitting had zijn verdwenen.
De Arnhemse Schepenbank hield tot 1830 zitting in het oude stadhuis, wat ook op de Markt stond en in 1840 werd gesloopt. Het Duivelshuis, sinds 1830 het stadhuis van Arnhem, heeft de tand des tijds goed doorstaan en de duivels zijn in volle glorie nog te bewonderen.
De doorgang is nu niet zo opvallend en bruikbaar als vroeger omdat de huizen rechtsnaast het Duivelshuis in 1902 gesloopt zijn ter verbreding van de Walburgsteeg tot Walburgstraat. Toch, als je onder het gewelf van de doorgang staat, kun je je nog even in de middeleeuwen en vroeg-moderne tijd wanen.
Johannes Wier leeft nu nog voort in de ‘Johannes Wier Stichting’, een mensenrechten organisatie, gevestigd in Amersfoort, van en voor artsen, verpleegkundigen en paramedici.
Daarnaast werden in 1960 twee postzegels door de PTT uitgegeven onder het motto Geestelijke Volksgezondheid. Op de zegel van 30 cent was Johannes Wier afgebeeld.

Nog steeds vinden er ‘heksenjachten’ plaats en worden voor uiteenlopende gebeurtenissen zondebokken gezocht, in de wereld- en de plaatselijke politiek.


 


Naar boven

Literatuur

Over hekserij en toverij in Arnhem kunnen leerlingen van de hoogste groepen van basisschool en de onderbouw van het voortgezet onderwijs het beste lezen:
Iddekinge, P.R.A., e.a. (eds.), Ach Lieve Tijd. 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en hun rijke verleden.
De Gelderse Boekhandel - Uitgeverij Waanders, Arnhem –Zwolle, 1982/1983.
(13-delige serie)
Deel 10, pp. 233-234 (over heksenprocessen in Arnhem).

Leerlingen van de bovenbouw HAVO/VWO vinden een goed overzicht van de heksenvervolgingen in Arnhem in:
Waardt, H. de en W. de Blécourt, De regels van het recht.
Aantekeningen over de rol van het Gelderse Hof bij de procesvoering inzake toverij.
In: Bijdragen en Mededelingen GELRE, Deel 80 (1989), pp. 24-51.
Dit artikel is ook de basis geweest van de informatie over de heksenprocessen in Arnhem op deze pagina. Het geeft vooral informatie over de processen die voor het hof van Gelre zijn gevoerd. Het is minder uitvoerig over specifieke Arnhemse zaken en het geven van verklaringen voor de gebeurtenissen.

Het bovenstaande artikel is een (wat overtrokken) reactie op het volgende artikel. In dit artikel staan nog enkele leuke details van de gebeurtenissen rondom de heksenprocessen in Arnhem:
Kruysdijk, A. van, Heksen in Gelderland.
Enige notities over het geloof in heksen en heksenprocessen in het algemeen en in Gelderland in het bijzonder.
In: Bijdragen en Mededelingen GELRE, Deel 72 (1981), pp. 47-67.

Alles over de rechtspraak in Arnhem (zowel Schepenbank als Hof van Gelre) is te vinden in:
Aalbers, P.G., Justitiae Sacrum.
Zeven eeuwen rechtspraak in Arnhem.

Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 1998.
In dit boek worden enkele heks- en toverijprocessen vermeld:
p. 68 (over heksenwaan en de door dominee Fontanus aangebrachte ‘duiveluitbanster’ in 1596);
p. 73 (over het proces tegen Hans Poeck in 1595).

Dresen-Coenders, L., Het verbond van heks en duivel.
Een waandenkbeeld aan het begin van de moderne tijd als symptoom van een veranderende situatie van de vrouw en als middel tot hervorming der zeden.

Uitgeverij Ambo b.v., Baarn, 1983.
pp. 157-168.
Dit boek geeft ook een aantal beschrijvingen van Arnhemse heksenprocessen en de rol van Johannes Wier, maar de processen komen deels niet overeen met de hierboven genoemde literatuur en zijn daarom buiten beschouwing gelaten.

Alberts, W. Jappe, Arnhem. Het leven in een middeleeuwse stad.
Uitgeverij De Bataafsche Leeuw, Dieren, 1983.
p. 53.

Iddekinge, P.R.A., e.a. (eds.), Ach Lieve Tijd. 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en hun rijke verleden.
De Gelderse Boekhandel - Uitgeverij Waanders, Arnhem –Zwolle, 1982/1983.
(13-delige serie)
Deel 12, p. 272.

Marshall, R., Zwarte Kunst. Mythologie en geschiedenis.
Atrium/ICOB, Alphen aan den Rijn, 1996.
pp. 71-72.

Hooft, B.H. van ‘t, De Arnhemsche Duivelsgeboorte.
In: Bijdragen en Mededelingen GELRE, deel LXI , 1962/64, pp. 93-117
Wellschmied, K., Die Teufelsgeburt von Arnhem.
In: Bijdragen en Mededelingen GELRE Deel LIII (1953), pp. 299-300.

Een mooi handzaam overzicht van de geschiedenis van het Duivelshuis vind je in:
Beumer, B., AA40 of Arnhem Authentiek in 40 onderwerpen.
Uitgeverij Beeld, Westervoort, 2001.
pp. 55-57.


Andere boeken met passages over het Duivelshuis:
Markus, A., Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen.
Gijsbers & Van Loon, Arnhem, 1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1906.
pp. 232-240.

In dit boek staan ook de verschillende volksverhalen over de naamgeving van het duivelshuis.

Graswinckel, D.P.M., Een wandeling door Arnhem in vroegere eeuwen.
In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek.
Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers, Arnhem, 1933, pp. 123-186.
pp. 156-158.


 


Naar boven

Printerversie