Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
    Heksenvervolging, 1500-1600
    Pest, 1550-1650
    Galgenberg
    Beul
    Burgemeesters vanaf 1824
    Gemeentegrens
    Geschiedenis Bibliotheek Arnhem
    Wederopbouwmonumenten
    IJssellinie bij Arnhem
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Beul

Inhoud

Inleiding
Een ’gewoon’ beroep
De keerzijde van een ’gewoon’ beroep
De regels van een ’gewoon’ beroep
Literatuur


 

Hof aan de Markt



Naar boven

Inleiding

Degene die de martelingen, pijnigingen, lijf- en doodstraffen moest uitvoeren, nadat de rechtbank het vonnis had uitgesproken, was bekend onder verschillende namen. Omdat pijniging ook wel ‘scherpexamen’ werd genoemd, was de meest gebruikte naam ‘scarprichter’ (scherprechter/scherprichter/scherprigter). De beul was verder bekend als ‘bodel’ (beul), ‘stokker’ (hij die met de stokken slaat), ‘hangman’ (hij die ophangt) of ‘meyster mit den zweerde’ (meester van en met het zwaard).
De beul was verplicht boven één van de stadspoorten te wonen. Bij het uitoefenen van zijn beroep ging hij gekleed in een door de stad betaald bovenkleed dat geborduurd was met het wapen van de stad en een zwaard.
De Arnhemse beul komt voor het eerst in 1452 in de bronnen voor. Dan wordt aan ‘Godert de borduerwercker’ zes Vlaamse ponden betaald voor het borduurwerk aan ‘die scerpenmeisters tabbert’.



Naar boven

Een gewoon" beroep

Het werk van de scherprichter bestond uit zeer veel verschillende werkzaamheden: onthoofding, ophanging, radbraking, geseling, brandmerking, enz. enz.
Enkele voorbeelden:

In 1571 beval de stadhouder van Gelderland, Charles de Brimeu, om gevangen genomen ketters binnen 24 uur ter dood te brengen. Daarvoor moest bij hen met ‘een gloeyend yzer het vooreinde hunner tong te doen branden’.

In 1573 mag de beul twee nieuwe beulszwaarden laten maken om twee onthoofdingen goed te laten uitvoeren.

In 1710 veroordeelde de Arnhemse schepenbank Johan Ciersleven voor een drievoudige gifmoord (twee achtereenvolgende echtgenoten en een dochter uit het eerste huwelijk) ter dood op het schavot. Voordat de scherprichter (beul) het hoofd afsloeg werd de veroordeelde eerst geradbraakt en werden armen en benen met twee slagen aan stukken geslagen. Vervolgens werden twee klappen met een stevig stuk hout op zijn hoofd gegeven. Met de bijl werd vervolgens de rechterhand, waarmee de moorden waren gepleegd, afgehakt. Die hand werd in zijn gezicht geslagen en daarna werd het hoofd afgehakt. Het lijk werd vervolgens enige tijd te kijk op het rad in de stad gezet. Tenslotte werd het naar de Galgenberg gebracht. Daar werd het lichaam op een rad op een paal gebonden en de hand werd daaronder vastgespijkerd. Er werden drie knuppels bij gehangen; voor elke moord één.

In 1723 vindt de geseling plaats van de gevangene Jan Marsbach, die had geprobeerd te ontvluchten. Hij werd met een strop om zijn hals aan een paal op de binnenplaats van het tuchthuis in de Beekstraat gebonden. Vervolgens werd hij gedurende twee dagen streng gegeseld; de zwaarste geselstraf. De geseling gebeurde vaak met een zweep waarin ijzeren prikkels of lodenkogeltjes waarin gebonden.

In 1729 had het Hof van Gelderland Marie Jansen uit Bennekom ter dood veroordeeld wegens een vijfvoudige moord. Ze haar man, diens kind, haar schoonouders en haar minnaar vergiftigd. Voordat de doodstraf werd voltrokken vond eerst een radbraking plaats.
De ter doorveroordeelde werd op een houten kruis gebonden en met een gloeiende tang in armen en benen geknepen. Daarna werden al haar botten aan stukken geslagen en ook nog eens, kruiselings, haar hele lichaam.
Nadat haar lijk op de Markt was tentoongesteld, werd het naar de Galgenberg gesleept waar het met ketenen op het rad werd gebonden.

In 1747 werd van Jan Smienck de hand afgehakt waarmee hij zijn broer had willen vermoorden.

In 1786 werd door de beul een exemplaar van het tijdschrift ‘Post van den Neder-Rhijn’ verbrand. In het patriottenblad stond felle kritiek op het Arnhemse stadsbestuur, die in de oproeren van 1786 de kant van de stadhouder had gekozen.



Naar boven

De keerzijde van een gewoon" beroep

De beul was niet geliefd bij de inwoners van de stad. Hij mocht bij kerkdiensten pas aan het avondmaal zitten als alle andere kerkgangers waren geweest.
Toen in 1573 de richter van Arnhem, Hendrick Bentinck, de Deventer beul Pouwell naar de stad wilde laten komen, was niemand bereid samen met hem te reizen. Het stadsbestuur moest uiteindelijk zelf twee daalders betalen om hem in een extra rijtuig over te laten komen.
In 1642 had de beul Gerrit Hoffstad/Hoofdstad enkele huisjes gekocht in de Wylackensteghe (huidige Wielakkerstraat). In één daarvan wilde hij zelf gaan wonen om daar ook het beroep van barbier en chirurgijn (kapper en dokter) uit te oefenen. De buurtbewoners kwamen in opstand en het stadsbestuur besloot dat de scherprechter wel huizen in de stad mocht kopen, maar dat hij zelf in de woning op de stadspoort moest blijven. Later wordt het hem toch toegestaan, wegens het verlenen van goede diensten aan de stad, zijn beroep in de stad uit te oefenen. Wel op de voorwaarde dat hij geen reclame maakte voor zijn kappersbedrijf, door het uithangen van scheerbekkens buiten of open winkel hield. Wat het chirurgijnschap betrof, stond hij onder toezicht van een andere dokter, dr. Coets. De belangrijkste voorwaarde was echter dat er over hem geen klachten kwamen van zijn buren.



Naar boven

De regels van een gewoon" beroep

In 1760 stelde het stadsbestuur voor de scherprechter Johan Hendrik van Anhalt een uitgebreid contract op. Met name werden de kosten voor de verschillende beulshandelingen beschreven.
Enkele passages:

Instructie voor deeser stads Scherprigter Johan Hendrik van Anhalt,om sig daarna in het declareeren voor gedane executien te gedragen. Actum Arnhem den 13 Feb. 1760.

Den voors. Scherprigter, wanneer gerequireert wordt om eenige justitie te doen, hetsij in capitale, hetsij mindere straffen, sal voor vacatie, soo voor hem als voor zijnen dienaar niet meer mogen declareeren als eens drie gulden.

Voor yder visitatie om na eenbrandmerk of geeseling te sien een gulden; dog soo het geval mogte exteeren, dat hij meer als een persoon op eene reis soude moeten visiteeren, sal hij daarvoor niet meer mogen declareeren als eens dubbelt.

Voor het assisteeren bij een examen, alsmeede voor het tortueeren van een gevangene voor hem en zijn dienaar elke reis drie gulden; dog soo meer als een de torture moet ondergaan, sal voor hem en zijn dienaar niet meer mogen declareeren als eens dubbelt.

Voor eene gemeene geesseling sal hij soo voor hem als sijnen dienaar niet meer mogen declareeren als drie guldens: de garden en bindlijnen daar onder begreepen.

Voor een persoon gecondemneert om met garden om den hals op het schavot ten toon te staan, of daar meede buiten de stad geleid te worden, sal denselven niet meer mogen declareeren dan drie guldens, sonder voor garden of anders buiten sijne hier vooren gespecificeerde vacatie yts te mogen inbrengen.

Voor het setten van yder brandmerk soo voor hem als sijnen dienaar drie guldens, sullende het hem niet gepermiteert sijn, voor het dragen van de pot (hetwelke sijn post is) of op eenige praetexten meerder te mogen declareeren.

Wanneer een delinquent gecondemneert wordt om met de strop om den hals gegeeselt te worden,sal voors. scherprigter voor hem en sijn dienaar niet hooger, booven hetgeen hem hier voorens toegelegt is, mogen declareeren als drie guldens, de kosten van de strop daaronder begreepen.







Naar boven

Literatuur

Aalbers, P.G. (1998). Justitiae Sacrum. Zeven eeuwen rechtspraak in Arnhem.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 41-43, 69-72, 230-231.

Iddekinge, P.R.A., e.a. (Eds.) (1982/1983). Ach Lieve Tijd. 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en hun rijke verleden.
Arnhem/Zwolle: De Gelderse Boekhandel - Uitgeverij Waanders. Deel 10, pp. 224, 234.

Markus, A. (1907). Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen.
Arnhem: Gijsbers & Van Loon, 1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1907. pp. 137-143, 486.



Naar boven

Printerversie