Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
    De Boerderij
    Sonsbeek Paviljoen / Theeschenkerij
    Witte Villa
    Huis Zypendaal
    Molens Jansbeek
       Nabermanmolen (Parkweg)
       Gelderse Molen (Waterval)
       Sonsbekermolen
       Pruemermolen
       Jansmolen
       Binnenmolen Bovenbeekstraat
       Hertogmolen Beekstraat
       Slijpwatermolen
    Witte Watermolen
    Watermuseum/Begijnenmolen
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Binnenmolen, Bovenbeekstraat




Naar boven

Aan de St. Jansbeek stonden eens tien watermolens, waarvan zeven buiten de stadsmuren. Binnen de stad werden nog drie molens aangedreven door het water van de beek. Als we de Jansbeek stroomafwaarts volgen, dan vinden we de eerste binnenstadsmolen in de Bovenbeekstraat, ongeveer schuin tegenover van wat nu het Historisch Museum Arnhem is (voormalig Burgerweeshuis).



Naar boven

Overzicht

Naam: Binnenwatermolen
Ligging: Bovenbeekstraat, Arnhem
Eerste vermelding: 1649 (kaart Blaeu)
Einde: 1850
Type molen: watermolen, bovenslagtype
Productie van molen: koren

Onderstaande tekst is, in licht gewijzigde vorm, eerder verschenen als:
Morsink, J. (z.jr. / 2001). Een andere kijk op de tien watermolens in het dal van de Sint Jansbeek. Arnhem; onuitgegeven.



Naar boven

17e eeuw


Binnenmolen ca 1650 Tekening Joop Morsink



Naar boven

Op een kaart van Arnhem, gedrukt in 1649 door Johan Blaeu (1599 – 1673) naar een kaart van Nicolaes van Geelkercken uit 1639, is een watermolen aan de Bovenbeekstraat afgebeeld.
Duidelijk zijn de twee achter elkaar liggende waterraderen te zien. Bij het openen van het eerste of tweede luik in de molengoot stroomt het water op een van de twee raderen en brengt die in beweging. De twee bovenslagraderen drijven beurtelings elk een koppel stenen aan. We weten dat voor gelijktijdig malen met twee koppels stenen er niet voldoende water uit de St. Jansbeek voorhanden is.
Na de stormachtige hervorming rond 1588 in Arnhem wordt met de verdere secularisatie (verwereldlijking) rond 1650 het Arnhems stadsbestuur de beheerder van deze Binnenwatermolen. Waarschijnlijk is de molen in de loop van de zeventiende eeuw aan particulieren verkocht.
Op 1 mei 1695 kocht de stad Arnhem de ‘waetercoornmeul met huys en hoff aen ‘t Lant van de Merckt’ van Hendrick Bech en de weduwe van Hendrick Elberts voor een som van ƒl 4.457,00 terug. Molenaar Lucas Willemsen pacht op dezelfde dag van de stad Arnhem de Binnenmolen voor de tijd van drie achtereenvolgende jaren, en moet daarvoor jaarlijks een bedrag betalen van vijfhonderd gulden. Burgemeester Johan Spoltman heeft het beheer over korenwatermolen. In het eerste pachtjaar (1695) wordt door de molentimmerman Herman Claessen een grote herstelling aan de watermolen uitgevoerd, waarvoor meester smid Rolf Oldenkamp het ijzerwerk levert.
Omdat molenaar Lucas Willemsen twee en een halve dag het beekwater moet missen, vermoedelijk vanwege schoonmaakwerkzaamheden aan de St. Jansbeek, krijgt hij aan het eind van het eerste jaar van het stadsbestuur een schadeloosstelling van vijf gulden.
Voor het eerst worden er in 1697 weer herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Glazenmaker Willem Mulder zet nieuwe ‘glaze in de meule’ en meester metselaar Derk Wigharts verricht ook enkele herstelwerkzaamheden.

In 1698, na drie jaar, wordt de pachtovereenkomst met Lucas Willemsen beëindigd en er volgt een openbare verpachting. Bij afslag mijnt Court Arents de Binnenwatermolen voor de pachtsom van ƒl 337,00 per jaar. In een kopie van de pachtbrief van 25 februari 1698 lezen we dat de pachter tot zijn lasten zal nemen het onderhoud van het lopende werk, de kammen als die zijn vergaan, het rad, de bus in de stenen en verdere raderen, rondsels, stenen en karen. Ook in de pachtperiode van Court Arents lezen we in het rekeningenboek van de stad Arnhem de verschillende herstellingen en verbeteringen die aan de Binnenwatermolen zijn uitgevoerd. Zo worden er zesentwintig karren leem vanaf de ‘Sandberg bij de Kluis’ aangevoerd, waarmee door Peter Joosten het molenhoofd wordt aangevuld. Meester timmerman Wissinick brengt een nieuwe molenas aan die door houtzager Tomas Alberts voor het stadsbestuur is gezaagd. In dezelfde periode worden er gesmede spijkers door Herman Muller, de nagelsmid, aan de Binnenwatermolen geleverd. Verder levert meester timmerman Herman Claessen een nieuw waterrad voor achtenveertig gulden, dat door de verhuurder, de stad Arnhem wordt betaald. Voorwaar geen kleine herstellingen die in de pachtperiode van Court Arents aan de Binnenwatermolen zijn uitgevoerd.
Vervolgens blijkt uit het rekeningenboek van 1701 dat Weegmeester Evert van Kell jaarlijks dertig gulden van het stadsbestuur ontvangt voor zijn werkzaamheden op de Binnenwatermolen. Waarschijnlijk is dit het loon dat de weegmeester ontvangt voor het ijken van de schepmaten en unsters die bij de gepachte inventaris van de Binnenwatermolen horen, en door de molenaar dagelijks worden gebruikt.



Naar boven

Kerckhoff, faience

Voor het eerst lezen we weer wat over de Binnenwatermolen als op 30 mei 1719 burgemeester en schepenen van de stad Arnhem de ‘Stads water koorn-meul binnen de stad op het land van de Merckt’ aan Jurrien Riksen van Otterloo en zijn vrouw verkoopt voor ƒl 2.000,= In de overeenkomst staat dat de koper alle drie jaar vanaf het molenrad de onderbeek moet schoonmaken en het slib moet uitbaggeren tot door de courier (overkluizing) van de heer Wijnbergen en vervolgens tot de oude uitloop bij de Oude Binnengracht.(Roermondsgracht) Door deze bepaling in de koopovereenkomst op te nemen is het stadsbestuur af van het vervelende schoonmaakwerk en de jaarlijkse schadeloosstelling aan de molenaar van de Binnenwatermolen voor het missen van het beekwater.
Als er in 1757 de achterstallige stedelijke belasting nog niet is betaald, wordt de Binnenwatermolen door de stadsregering in beslag genomen en verkocht aan Peter de Graeff. Er was alleen een zeer onregelmatige bedrijfsvoering mogelijk, zodat Peter de Graeff op 26 mei van dat jaar de korenwatermolen verkoopt aan Johan van Kerckhoff plateelbakker en wijn handelaar. Hij was gehuwd met Maria, Catharina van Wanraaij en woonde in 1754 aan de Jansplaats. Johan van Kerckhoff, geboren in Arnhem kwam uit een gezin met tien kinderen. Zijn ouders zijn Henricus van Kerckhoff en Margaretha van Cruchten. Voordien op 6 januari 1761 heeft Van Kerckhoff zijn huis aan de Jansplaats waar hij woont, verkocht aan Adolf van Sandijck. In wezen ruilt Van Kerckhoff zijn huis aan de Jansplaats met het huis van Sandijk aan de St. Jansbeek, dat ligt tussen het huis van Jan Boonzayer en de Binnenwatermolen, en gaat daar wonen. Buiten de poorten van de stad bij de Oude Kraan aan de Rijnhaven drijft plateelbakker Johan van Kerckhoff een ‘fabriq van porcelijn off fajance’ die hij in 1760 in Arnhem is begonnen. Zijn keramiek, en soort geglazuurd en beschildert aardewerk dat door Van Kerkhof met een haan signeert wordt, is wereldberoemd geworden. In Van Kerckhoff’s faïciencefabriek (zo genoemd naar de Italiaanse stad Faenza) worden vooral in Louis XV vormen gemaakt. Voor het beschilderen van de keramiek heeft Van Kerkhof dure plateelschilders uit Delft aan het werk.

Als buurman van molenaar Peter de Graeff van de Binnenwatermolen weet Johan van Kerkhof maar al te goed dat de korenmolen vanwege het te kort aan drijfwater verlies lijdt. Namelijk bij hoge waterstanden in de rivier de Nederrijn kan de St. Jansbeek niet op de gebruikelijke wijze bij de Roermondsgracht lozen. Het sluisje bij de Roermondsgracht en bij het bolwerk de ‘Geldersentoren’, in de bovenloop van de St. Jansbeek in de stad, wordt door de beekmeester bij hoog water in de rivier dicht gedraaid, omdat anders de stad zou onderlopen.

Omdat de korenwatermolen van molenaar Peter de Graeff door de veelvuldig voorkomende hoge rivierwaterstanden nogal eens stil staat, gaan de maalgasten naar andere korenmolens, waar ze op regelmatige wijze worden geholpen.
Nog voordat Johan van Kerkhof de Binnenwatermolen koopt vraagt hij op 24 augustus 1761 in een verzoekschrift aan het stadsbestuur of er bezwaren bestaan tegen het malen in de korenmolen van verfstoffen en materialen voor zijn fabriek en porceleinbakkerij. Hij zegt toe de molenstenen voor het malen van graan te bewaren om deze tijdens belegeringen weer te kunnen gebruiken. Of er met het woord ‘materialen’ in het verzoekschrift ook van elders aangevoerd ruwe glasbrokken, die tot glaspoeder vermalen en vermengd met kobalt glazuur vormt, wordt bedoeld, is niet bekend.
Om zijn zaken financieel goed te kunnen behartigen is Johan van Kerckhoff te veel artiest. Hij maakt te kostbaar en te mooi goed waarvan de prijs te hoog is. Daarom moet hij na een korte tijd, vermoedelijk in 1772, met de fabriek stoppen. Noodgedwongen verkoopt hij uit de boedel van zijn vrouw het pakhuis en de schuur aan de Oude Kraan. Kort daarna, op 10 december 1773 sterft Johan van Kerckhoff op 57-jarige leeftijd.


 

Binnenwatermolen ca 1750 Tekening kaart: Joop Morsink



Naar boven

19e eeuw

Hendrik Zegers komt in het bezit van de tot verfmolen verbouwde Binnenwatermolen die er daarna eikenschors tot run en later graan tot meel maalt. In 1802 is er een publieke verkoping van de Binnenwatermolen door Hendrik Zegers. In een handgeschreven aankondiging lezen we dat op donderdag 7 januari 1802 in het ‘Zwijnshoofd’ van kastelein J. H. Brendeke, door Hendrik Zegers en zij vrouw Catharina van Goor een publieke ophoging wordt gehouden. Verkocht wordt de watermolen binnen de stad Arnhem op het Land van de Markt, staande aan de St. Jansbeek, weleer een glazuurmolen, vervolgens een runmolen en tot nu toe als korenwatermolen in gebruik. Het bijbehorende woonhuis en de stalling worden door de verkoper bewoond en gebruikt. Bij de verkoop moeten twee overeenkomsten worden overgenomen, namelijk het contract van 18 december 1801 voor de ramen en de schoorsteen die uitkomen op het terrein van stadstimmerman R. R. Viervant en een overeenkomst voor twee glasramen in het opkamertje dat uitziet op de binnenplaats van apotheker Spicker. Veertien dagen later op 21 januari 1802 wordt de Binnenwatermolen bij toeslag gemijnd door Jan, Willem Raadsman voor de koper Evert van Munster en zijn vrouw Hendrika Boekhuisen.

In een handgeschreven aankondiging staat dat in de achterliggende jaren de Binnenwatermolen voor een drietal doeleinden wordt gebruikt, namelijk als glazuur-, run- en graanmolen. Voor de bewerking van het laatstgenoemde product, om graan tot consumptiemeel te malen is de Binnenwatermolen gebouwd. Voor de twee andere bewerkingen is zij omgebouwd.
We weten nu zeker dat er verfstoffen en misschien ruwe glasbrokken voor de vervaardiging van glazuur door Johan van Kerckhoff in de Binnenwatermolen zijn gemalen. Dat de Binnenwatermolen hierna wordt gebruikt voor het malen van eikenschors tot run of eek, is voor de hand liggend. Namelijk de leerlooierijen die bij hun looiproces run of eek gebruiken staan direct achter de Binnenwatermolen, tussen het straatje Achter Velperpoortsmuur en de Looierijgracht.

Op 30 januari 1814 koopt korenmolenaar Jan, Evert Nijenhuis en zijn vrouw Mechteld Miggels, die buiten de St. Janspoort aan de St. Jansbeek wonen, de Binnenwatermolen van Evert van Munster en zijn vrouw Hendrika Beekhuizen. Nijenhuis is vanaf 20 maart 1797 ook eigenaar van de Prümerwatermolen.
De Binnenwatermolen staat exact aangegeven op een kadastrale kaart van de stad, eerste blad, uit 1832. Zij staat onder sectie O, no.250,huis en erf en no. 251 waterkorenmolen, eigenaar Nijenhuis, Johannes, Everhardus van beroep herbergier. In 1821 is molenaar Nijenhuis in het naast de watermolen gelegen woonhuis overleden, waarna Baron Van Heeckeren van Enghuizen op 9 februari 1822 de Prümerwatermolen koopt van de erven Nijenhuis.

In 1830, en wel op 30 april van dat jaar, kopen Arnoldus en Gerrit Mos, kooplieden uit Arnhem, de Binnenwatermolen. De twee broers hebben een handelssociëteit in snuiftabak en kruidenierswaren onder de naam A. en G. Mos. Zij zijn waarschijnlijk gevestigd aan de Ketelstraat. Wat hun handelssociëteit met de Binnenwatermolen heeft vervaardigd onttrekt zich aan onze waarneming. Het is heel wel mogelijk dat naast consumptiemeel er snuiftabak wordt gemalen. De gebroeders Mos hebben niet lang de Binnenwatermolen in hun bezit gehad. Na de ontbinding in september 1844 van hun handelssociëteit verkopen ze de Binnenwatermolen op 18 november 1844 aan het gemeentebestuur van Arnhem voor de som van ƒ 16.000,= Door de koop maakt de gemeente zich meester van het waterrecht en kan zonder bezwaar het gaande- of drijfwerk slopen en de St. Jansbeek met ter plaatse een verval van twee meter vijftig, overkluizen.

In 1850 wordt de opbouw van de Binnenwatermolen gesloopt en er een openbare school gebouwd. Dat betekent na ruim 200 jaar het einde van de Binnenwatermolen aan de Bovenbeekstraat.



Naar boven

Archeologische opgraving


Binnenmolen, archeologie 



Naar boven

Voordat met de bouw van woningen en winkels aan de Bovenbeekstraat in juni 1988 wordt aangevangen is de fundering van de Binnenwatermolen door de Archeologische Werkgroep Nederland (AWN),afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland, blootgelegd. Tijdens de opgraving zijn de funderingsresten, enkele muren, molenstenen en scherven gevonden. Uit de in kaart gebrachte opmeting is af te leiden dat de twee achter elkaar draaiende waterraderen elk een diameter van 2.40 meter hebben gehad. Dit wil zeggen dat het theoretisch vermogen van een koppel maalstenen in het molenhuis van de Binnenwatermolen niet meer is geweest dan ongeveer 1,8 pk. Opmerkelijk is dat tegen het doorslaan van het opgestuwde beekwater, de keldermuur aan de noordwestzijde ter hoogte van de ‘hel’, waar eens het aswiel in draaide met een dikke laag leem is gepleisterd (zie 1698).

Met de opgraving is bevestigd dat de Binnenwatermolen, die op diverse kaarten staat afgebeeld, ook op de aangegeven plaats aan de Bovenbeekstraat heeft gestaan.



Naar boven

Literatuur

Beek, P.M. (1989). Huis Sonsbeek. Een monument in een monumentaal park.
Zwolle: Waanders.

Iddekinge, (e.a.) (1998). Sonsbeek. Stadspark van Arnhem.
Zwolle: Waanders.

Janssen, G.B. (1999). Arnhemse molens en hun geschiedenis.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 29-30, 57-60.

Morsink, J. (z.jr./2001). Een andere kijk op de tien watermolens in het dal van de Sint Jansbeek.
Arnhem: ongepubliceerde uitgave.

Nijhoff. Is. An. (1828). Wandelingen in een gedeelte van Gelderland, of geschiedkundige en plaatsbeschrijvende beschouwing van de omstreken der stad Arnhem.
Arnhem: Paulus Nijhoff; vierde druk, 1e druk 1820.

Schulte, A.G. & Schulte-van Wersch, C.J.M. (1999). Monumentaal groen. Kleine cultuurgeschiedenis van de Arnhemse parken.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs.

Ven, A.J. van de (1933). De oude buitenverblijven rondom de stad.
In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek.
Arnhem: Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers, 1933; pp. 187-223.

Tekst en tekening: Joop Morsink.
Afbeeldingen uit bovenstaande literatuur, Foto-archief Vereniging Vrienden van Sonsbeek, Archief Joop Morsink.
Afbeeldingen ook uit:
Bibliotheek Arnhem (o.a. Gelderland in Beeld), Gelders Archief (o.a. Topografische Historische Atlas) en Historisch Museum Arnhem.



Naar boven

Printerversie