Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
    De Boerderij
    Sonsbeek Paviljoen / Theeschenkerij
    Witte Villa
    Huis Zypendaal
    Molens Jansbeek
       Nabermanmolen (Parkweg)
       Gelderse Molen (Waterval)
       Sonsbekermolen
       Pruemermolen
       Jansmolen
       Binnenmolen Bovenbeekstraat
       Hertogmolen Beekstraat
       Slijpwatermolen
    Witte Watermolen
    Watermuseum/Begijnenmolen
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Nabermanmolen (Parkweg)

Tekst: Jos Diender.
Onderzoek: Joop Morsink.

Deze tekst is, in licht gewijzigde vorm, eerder verschenen als:
Diender, J. (2005). De papiermolen van Naberman.
In: Infobulletin Parken Sonsbeek, Zijpendaal en Gulden Bodem. (Vereniging Vrienden van Sonsbeek), jrg. 17, nr. 4, winter 2005, pp. 8-9.



Naar boven

Inhoud

Overzicht
Geschiedenis
Literatuur



Naar boven

Overzicht

Naam: Naberman molen
Ligging: Parkweg, Arnhem
Bouwjaar: 1692
Sloop: 1776
Type molen: watermolen; eerst bovenslag- later onderslagrad
Productie van molen: papier


 

Jansbeek, Parkweg Hier stond de papierwatermolen van Naberman.



Naar boven

Geschiedenis

De zevende en laatste watermolen gezien vanaf de Arnhemse stadsmuren, en de eerste vanaf de bron van de Jansbeek, is de papierwatermolen van Naberman, genoemd naar de laatste pachter en papiermulder Gerrit Naberman(n). De molen stond aan de huidige Parkweg, op de scheiding tussen de vijver van het landgoed Zypendaal en de Grote Vijver van Sonsbeek.

De voorloper van de Parkweg is een dam die rond 1663 gebouwd is. In dat jaar kreeg de secretaris van de stad, Josias Harn, toestemming om een dam te bouwen in het moerassig gebied op “seker erff en goed genaemt Sijpendael”. Stroomafwaarts, het terrein gelegen beneden de dam over de St. Jansbeek tussen het landgoed Zypendaal en Sonsbeek, behoorde het water aan Johan Tijmens (Tymans). Herman Hermse bouwt in diens opdracht in 1692 een papiermolen.
Het kunnen beschikken over zuiver, helder water voor het vervaardigen van witpapier is voor een papiermaker veel belangrijker dan de hoeveelheid water om de watermolen te laten draaien. Er is niet zoveel kracht nodig voor het laten draaien van een wentelas met nokken om de hamers in de hamerbakken of waskuip beurtelings op te lichten en van een lompenmassa heelstof te bereiden. Het kleine papiermolentje heeft vermoedelijk een stenen onderbouw en een hoge houten bovenbouw. Dat is af te leiden uit een bericht dat de stenen van de papiermolen in 1781 zijn gebruikt voor een nieuwe waterlossing, een overstortdrempel met goot en een overkluizing die onder de weg door loopt. We kunnen aannemen dat het bovengedeelte van de bedrijfsruimte en de hangzolder voor het drogen van vellen papier, van ruwe planken als gepotdekselde wanden zijn opgetrokken. Vrijwel de meeste droog- of hangzolders van papiermolens werden in ruw hout opgetrokken met luiken in de zijwanden om overvloedige toetreding van lucht mogelijk te maken. Op deze tochtige zolders zijn de nog natte vellen papier over de vele met bijenwas ingestreken touwen (drooglijnen) te drogen gehangen. Het papiermolentje wordt in eerste instantie voorzien van een oud rad. Nog geen jaar later wordt het kleine rad vervangen door een nieuw groter molenrad. Dit duidt er op dat het eerste rad of molenwiel een bovenslagrad is geweest en later is vervangen door een onderslagrad.

Willem Bast pacht het watemolentje in 1694. In deze jaren klagen de watermolenaars verder stroomafwaarts over de geringe waterhoeveelheid. De korenmolenaars roepen zelfs de bakkers van de stad in om hun klachten kracht bij te zetten. De broodproudctie zou namelijk in gevaar zijn. Hogtepunt van de ruzie is de vernieling van de schut en het molenhoofd. In 1696 wordt de vrede getekend.
In 1712 verpacht Johan Tymans de waterrechten en het gebruik van de watermolen door aan Johan Elberts. Tymans had de molen zelf gepacht van burgemeester Willem van Bayen voor de duur van 25 jaren en een pachtsom van ƒ 30,- per jaar. Verder zien we betalende molenaars zoals in 1717 Reynoldus Grootenhuys en in 1718 Lubbert Adams. Voor het eerst wordt het molentje genoemd in het Kohier van het Buiten- Westerquartier van 1737, onder N, no.335, als een ‘Papieremolen en getimmer c.a. leggende bij de Zijp op St. Jansbeek op de grond en erf de Wiltbaan’ van Nicolaas Vorster en zijn vrouw. Het echtpaar is sinds 1733 eigenaar van de watermolen. Vorster is op dat moment ook eigenaar van de Sonsbekerwatermolen. In het Kohier wordt de papiermolen, naast de zes al bekende watermolens, als zevende genoemd op de grens tussen de parken Sonsbeek en Zypendaal. In 1737 pacht Wilhelmus Vorster de papiermolen voor 25 jaren voor de prijs van ƒ 30.- jaarlijks. De eigenaar raakt in 1740 in financiële nood en verkoopt de watermolen aan A. Hoevenaar en de papiermaker Paul Schut uit Oosterbeek.

In 1742 komt het papiermolentje in handen van de stadssecretaris, mr. Hendrik Willem Brantsen. Deze laat direct een grote reparatie uitvoeren door Jacob van Amersvoort ‘Meester Mole Timmerman’. Wel blijft Willem Vorster de pachter van het molengoed, maar hij laat het papiermakersambacht over aan Jacobus Westenenk. Willem Vorster wordt in 1762 opgevolgd door de laatste pachter en papiermulder Gerrit Naberman en zijn vrouw Gerhardina Pauwels. Op een kaart uit 1754 zijn de twee bovenste watermolens ingetekend. Van de zevende watermolen staat vermeld: ‘Verders de Moole van Gerrit Naberman, met den wijer en wal, ende daar onder hoorende wegtien, hof en boomgaardt, samt behuijsingh, schuren, te same twe mergen en vijf roeden’.
In 1775 verkoopt Brantsen de grond en de papierwatermolen aan Brantsen verkoopt het papiermolentje rond 1770/75 aan burgemeester mr. Gerhard Pronck. Pronck kocht in deze jaaren verschillende terreinen rondom de Gulden Bodem, de Wildbaan en Sonsbeek aan. Met deze aankopen heeft Pronck ook de Geldersewatermolen (1774) en de Sonsbekerwatermolen (1778) in zijn bezit gekregen.
Pronck is meer geïnteresseerd in exotische flora dan watermolens, want Brantsen verklaart op 1 mei 1776 ‘de gront van de molen te sullen verlaten, van intentie sijnde om mitsdien vurs, molen af te breken en het water aen mij te behouden’. In juli 1776 laat Brantsen bij Pronck de afgebikte stenen afleveren: 7200 grauwe klinkers, 7600 grauwe stenen en 8100 rode stenen.


 

Droogzolder. De natte vellen papier worden aan lijnen op de tochtige droogzolder boven de papiermolen van Naberman. Illustratie: Joop Morsink.



Naar boven

Literatuur

Beek, P.M. (1989). Huis Sonsbeek. Een monument in een monumentaal park.
Zwolle: Waanders.

Iddekinge, (e.a.) (1998). Sonsbeek. Stadspark van Arnhem.
Zwolle: Waanders.

Janssen, G.B. (1999). Arnhemse molens en hun geschiedenis.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 16, 28-29.

Knap, W. W.G. Zn. & Vergouwe, G.F.C. (1933). Arnhem 1233-1933. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Arnhems’ stedelijk bestaan.
Arnhem: N.V. Drukkerij en Uitgevers-Maatschappij De Vlijt.

Kuyk, G.A. (1914). De geschiedenis van het landgoed Sonsbeek bij Arnhem.
In: Bijdragen en Mededeelingen Gelre, deel XVII, 1914, pp. 85-119, m.n. pp. 98-99.

Markus, A. (1907). Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen.
Arnhem: Gijsbers & Van Loon, 1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1907.

Morsink, J. (z.jr.). Een andere kijk op de tien watermolens in het dal van de Sint Jansbeek.
Arnhem: ongepubliceerde uitgave.

Nijhoff. Is. An. (1828). Wandelingen in een gedeelte van Gelderland, of geschiedkundige en plaatsbeschrijvende beschouwing van de omstreken der stad Arnhem.
Arnhem: Paulus Nijhoff; vierde druk, 1e druk 1820.

Schulte, A.G. & Schulte-van Wersch, C.J.M. (1999). Monumentaal groen. Kleine cultuurgeschiedenis van de Arnhemse parken.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs.

Ven, A.J. van de (1933). De oude buitenverblijven rondom de stad.
In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek.
Arnhem: Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers, 1933; pp. 187-223, m.n. p. 204.



Tekst: Jos Diender. Onderzoek: Joop Morsink.

Afbeeldingen uit bovenstaande literatuur, Ansichtkaartencollectie Frans Brink, Archief Joop Morsink en Gelders Archief.
Tekening: Joop Morsink.



Naar boven

Printerversie