1233, Stadsrechten

Inhoud

Stadsrechtprivilege 1233
Toelichting
Literatuur


Stadsrechtprivilege 1233

In naam van de heilige en ongedeelde Drie-eenheid. Amen.
Otto, graaf van Gelre en Zutphen, aan alle lezers van deze oorkonde, gegroet en vrede in eeuwigheid.
Derhalve breng ik ter kennis van alle mensen van nu en later, dat ik, Otto, graaf van Gelre en Zutphen, …
Van de versterkte plaats Arnhem een stad heb gemaakt en daaraan alle vrijheid heb verleend met het geheel van goederen, opdat deze stad en de mensen die erin wonen en erin zullen wonen zich in een zelfde vrijheid mogen verheugen als de meest vrije stad, namelijk onze stad Zutphen, geniet, en opdat ik in die stad geen enkele belasting doe (heffen) buiten de wil van de burgers om.
Ook stel ik in, dat deze stad bestuurd moet worden door een raad van twaalf schepenen die daar gekozen moeten worden, zodat als er in de stad zaken niet geregeld zouden zijn, die behandeld en tot normale staat hersteld zouden worden volgens hun rijp beraad, en om in de stad alles te doen volgens het recht en de goede gewoonte van de stad Zutphen. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gerecht, waarvan mijn richter de opbrengst int zoals vroeger. Maar deze richter zal vonnis wijzen volgens de uitspraak en de raad van de schepenen.
Bovendien wil ik, dat geen enkele in die stad wonende burger binnen de grenzen van mijn graafschap en mijn land tot een gerechtelijk duel kan worden gedaagd, ja zelfs dat in een actie tegen hem de eiser zich moet wenden tot richter en schepenen van Arnhem, opdat zij over het geschil dat voor hen is gebracht een oordeel vellen en de kwestie afhandelen met de verschuldigde boete.
En opdat noch door mij, noch door iemand van mijn erfgenamen de herinnering aan het nu verrichte en de gratie van een dergelijk beneficie zal worden vergeten, hebben wij (deze verlening) bekrachtigd door mijn eed op heilige relikwieën met mijn edelen en ministerialen

En deze oorkonde heb ik door mijn opgedrukt zegel doen bekrachtigen.

Bovenstaande tekst, de stadsrechtverlening uit 1233, volgens een 16e eeuwse kopie in de vertaling van C.L. Verkerk komt uit:
Borman, R. (1993). Arnhem onder de grond. Bewoningsgeschiedenis van stad en omgeving.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. p. 53.


Toelichting

Van de tekst van het stadsrecht uit 1233 wordt in de literatuur verschillende versies en vertalingen gegeven.
Op een gevelsteen binnen in het Duivelshuis staat deze tekst uit het stadsrechtprivilege:

Ego Otto Comes Gelrensis et
Zutphaniensis ex prehabito consilio amicorum
nobilium et ministerialum meosum
authoritate Imperiali et Regia et special licentia
de Opido Arnhem civitatem condidi et ei omnem
libertatem cum inregrirare rerum suarum consuli.
A0 Dni MCCXXXIII Tercio Idus Julij


In de vertaling:
Ik, Otto graaf van Gelre en
Zutphen, heb, na vooraf geraadpleegd te hebben mijn vrienden,
edelen en dienstmannen, krachtens
keizerlijke en koninklijke machtiging en bijzondere vergunning,
van de vlek Arnhem een stad gemaakt en daaraan alle
vrijheid verleend met ongeschonden bezit van het hare.
In het jaar onzes Heren 1233 op de 13e juli.

Stadsrechtprivilege 1233; de oorspronkelijke bron in het Latijn

In nomine sancte et individue Trinitatis. Amen.
Otto, comes Gelrensis et Zutphaniensis, omnibus, harum litterarum inspectoribus, salutem en pacem eternam.
Omnia facta mortalium temporalem sequuntur motum, et pereuntibus hominibus ipsorum simul facta intereunt. Quare necesse est, ut, que sua natura tendunt at interitum, litteratum adminiculo fulciantur et ab oblivionis interitu defendatur.
Notice igitur presentium et futurorum presentis scripti testmonio transmitto, quod Otto, comes Gelrensis et Zutphaniensis, ex prehabito consilio amicorum meorum nobilium et ministerialum meorum, authoritate imperiali et regia et special licentia, de opido Arnhem civitatem condidi et ei omnem libertatem cum integritate rerum suarum contuli, ut hec civitas gaudeat eadem libertate et homines in ea manentes et mansuri, qua libera civitas fruitur et nostra civitas Zutphaniensis, et nullum faciam in ea exactionem nec accreditum preter civium voluntatem.
(…)
Hanc vero concessionem et donationem imperiali et regia potestate et mea feci civitati et civibus de Arnhem, anno ab incarnatione Domini millesimo ducentesimo trigesimo tertio, ydus Iulii,
(…)

In:
Sloet, L.A.J.W. (1872-1876). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288.
’s Gravenhage: Martinus Nijhoff. pp. 571-573.
Nb. Sloet dateert het privilege op 15 juli 1233 (p. 571).


Literatuur

Aalbers, P.G. (1998). Justitiae Sacrum. Zeven eeuwen rechtspraak in Arnhem.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 12, 21-27, 28, 31, 38.

Haans, F.A.C. & Frank, C.J.B.P. (2003). De ondergrondse stad. Een tocht door de Arnhemse kelders.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 12-15.

Schulte, A.G. (1994). De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad.
Utrecht: Uitgeverij Stichting Matrijs. p. 35.

Sloet, L.A.J.W. (1872-1876). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288.
’s Gravenhage: Martinus Nijhoff. pp. 571-573.

Verkerk, C.L. (1983). Arnhem van koningsgoed tot stad.
In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983) Arnhem. Acht Historische Opstellen.
Arnhem: Gouda Quint BV. pp. 1-40; pp. 9-10, 34.

Verkerk, C.L. (1983). Het stadsrechtprivilege van 13 juli 1233 voor Arnhem:
De onechtheid van Gelderse stadsrechtoorkonden, in het bijzonder van Zutphen, Arnhem en Wageningen.

In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983) Arnhem. Acht Historische Opstellen.
Arnhem: Gouda Quint BV. pp. 41-49.

Verkerk, C.L (1983). Machten in het middeleeuwse Arnhem.
In: Manheim, R. (Ed.), Arnhem na 750 jaar. Machten, ervaringen, toekomsten.
Arnhem: Gemeentemuseum Arnhem. pp. 4-10; p. 6.


(C) 2005 - Alle rechten voorbehouden

Deze pagina afdrukken