1892, verhoor fabrikant

Inhoud

1892, verhoor van J.L.A.J. Sprenger
Toelichting
Literatuur


1892, verhoor van J.L.A.J. Sprenger

Nummers: vraagnummering.
V.: Voorzitter
A.: Antwoord.

Vergadering van donderdag 28 april 1892.
Tegenwoordig de heeren:
Veegens, Voorzitter.
Reeling Brouwer,
Van Swinderen.

Verhoor van Joseph Lodewijk Anton Johan Sprenger,
Oud 51 jaar, lid der firma Verwaaijen en Sprenger, bandfabrikant te Arnhem.

1494. De Voorzitter: Wij hebben reeds vernomen, welk in uwe fabriek de werktijden zijn. Heeft de arbeidswet in dit opzicht eenige verandering aangebracht?
A. De werktijden zijn wel dezelfde als vroeger, doch nu zijn enkele schafttijden er afgegaan. Vroeger werkten wij van 7 tot 8, van 8 ½ tot 12, van 1 ½ tot 4, van 4 ½ tot 8 uur. Nu werken wij in eens door van 7 tot 12 en van 1 ½ tot 7 uur.

1495 V. Wordt wel des Zondags gewerkt?
A. Nooit.

1496 V. Ook niet voor het schoonmaken van den ketel of voor reparatiën?
A. Neen.

1497V. Op welke wijze worden de loonen berekend?
A. Gedeeltelijk in dagloon, gedeeltelijk per stuk.

1498 V. Naar welken maatstaf wordt het stukloon van een deel der werklieden berekend?
A. Dat is heel moeilijk te zeggen: dat hangt af van het fabrikaat, of er veel inslag op is of weinig.

1499 V. Kunt gij opgeven, hoeveel de werklieden met de verschillende soorten van arbeid in de week verdienen?
A. De oudste wevers f 12 en f 11, verder f 10, f 8, f 7, dat hangt af van de capaciteit van den wever; hoe bekwamer, hoe grooter weefgetouw hij krijgt.

1500 V. Zijn de wevers uitsluitend mannen?
A. Ja.

1501 V. Welke zijn de loonen in de bleekerij en ververij?
A. f 8.

1502V. Wat hebt gij meer voor mannelijk personeel?
A. In de machinekamer verdienen zij ook f 8, in de pakkerij f 7,50.

1503V. Hoeveel verdienen de vrouwen en meisjes?
A. Dat hangt ook al van den leeftijd af; het begint met f 2,50, terwijl f 5,50 wel het hoogst zal zijn.

1504V. Waarschijnlijk verdienen uwe meesters en meesteressen aanmerkelijk meer dan de opgegeven bedragen?
A. Dat zal waar zijn. Er is één meester, die zelfs f 32 heeft; dan zijn er die f 17 en f 18 hebben. Het zijn specialiteiten en die moeten natuurlijk duur betaald worden.

1505V. Hoeveel ontvangt bijv. de meesteres in de haspelkamer?
A. Wanneer ik mij niet vergis f 8,50, maar ik houd er iedere week een paar gulden van in, zoodat zij nu reeds een f 1200 à f 1300 heeft opgespaard.

1506V. Hebt gij dergelijke bemoeiingen ten opzichte van meer leden van uw personeel?
A. Neen, het is een ondankbaar werk; zoodra de familie weet, dat er wat overgegaard is, wordt men steeds gebedel om geld lastig gevallen.

1507V. Hebt gij meer dan één machinist?
A. Neen, maar één.

1508V. Heeft die persoon een behoorlijke opleiding gehad?
A. Dat zal wel waar zijn. Het is iemand, die machinist op sporen en booten is geweest en volkomen op de hoogte van het vak is. Wat de practijk betreft, is hij even goed als een ingenieur.

1509V. Op welke leeftijd neemt gij kinderen aan?
A. Wanneer zij twaalf jaren oud zijn en daarvan een briefje van het stadhuis kunnen vertoonen. Men wordt dan wel eens gefopt. Kaatje is 12 jaar en Mietje 11 en dan komt Mietje met Kaatje’s briefje. Men kan het aan haar neus niet zien.

1510V. Vindt gij het noodig of wenschelijk, dat het werk op zoo jeugdigen leeftijd begint?
A. Het is mij onverschillig, of zij 12 of 13 jaar zijn, wanneer ik maar kindervingers heb om de kleine klosjes te winden.

1511V. Informeert gij, wanneer gij kinderen in dienst neemt, of zij behoorlijk school hebben gegaan?
A. Daar durf ik geen ja op te zeggen.

1512V. Genieten de kinderen, die bij u werkzaam zijn, nog eenig onderwijs?
A. Ik geloof te mogen zeggen, neen.

1513V. Gij bemoeit u er niet mede?
A. Neen.

1514V. Hoe werkt in dit opzicht het eindigen van den arbeid om 7 uur? Meent gij, dat uw personeel van die avonduren een goed gebruik maakt?
A. Ik weet het niet.

1515V. Men heeft ons medegedeeld, dat vele van de bij u werkzame meisjes naar de school van mejuffrouw Bets gaan. Is dit juist?
A. Ja. Ik ben op verzoek dat lokaal eens gaan zien, en vond de meisjes daar heel gezellig bij elkaar gezeeten.

1516V. Meent gij, dat een dergelijke cursus nuttig werkt?
A. Waarom niet? Of er totaal het doel mede bereikt wordt, dat juffrouw Bets zich voorstelt, weet ik niet.

1517V. In hoever wordt aan de fabriek voorzien in geval van ziekte van het personeel?
A. De werklieden hebben een onderling fonds, waartoe ieder wekelijks 5 cent bijdraagt. Wij geven wekelijks vijf gulden, en wanneer zijn meer noodig hebben, kunnen zij er om vragen, In vroeger jaren heb ik zelf eene verzekering willen oprichten, doch het bleek dat de werklieden den boel gaarne zelf in handen houden. Dit is ook beter, want nu controleeren ze elkaar, en wanneer de kas tekortschiet, kan ik helpen.

Enzovoorts t/m vraag 1558.
Uit:
Onderzoek omtrent de maatschappelijke toestanden der arbeiders, omtrent de verhoudingen tusschen werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrijven en omtrent den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid der werklieden, ingesteld door de staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad no 1).
Tweede Afdeeling. Getuigen-Verhooren (Gelderland benoorden den Rhijn).


Toelichting

Woordenlijst


Bron   Verklaring 
inslag  weefactiviteit 

Toelichting op de bron
Het onderzoek


Literatuur

In de lijst is niet alleen literatuur rondom het verhoor, maar ook over de geschiedenis van de Bandfabriek, opgenomen.

Dullaart, P. (1982). Op onze weg zijn rozen schaars gespreid. De Arnhemse anarchisten 1894-1903. Oosterbeek: Bosbespers. pp. 49-54.

Huetink, W.M.M. (1991). Arnhem, Haagje van het oosten. Wensdroom en werkelijkheid.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs.

Janssen, G.B. (1999). Arnhemse molens en hun geschiedenis.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. p. 92.

Laar, E. van (1966). Hoop op gerechtigheid. De arbeiders en hun organisaties in Arnhem gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw.
Arnhem: Gemeentearchief Arnhem.

Middelbeek, H.W. (1983). Van woonstad tot werkstad. Industrie in Arnhem 1800-1980.
In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983). Arnhem. Acht Historische Opstellen.
Arnhem: Gouda Quint BV, pp. 156-187.

Stenfert Kroese, H.E. & Neijenesch, D. W. (1919). Arnhem en zijn toekomstige ontwikkeling.
Arnhem: Thieme. pp. 284-287.

Van honger en bedeling naar algemeen kiesrecht (1983).
In: Manheim, R. (Ed.) (1983). Arnhem na 750 jaar. Machten, ervaringen, toekomsten.
Arnhem: Gemeentemuseum Arnhem. pp. 16-23.

Vredenberg, J. (2002). Handel, nijverheid en industrie. Bedrijfsgebouwen in Arnhem.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 46-47.

Vredenberg, J. (2005). Heijenoord en Lombok. Van landgoed tot stadsuitbreiding in Arnhem.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 34-36.


(C) 2005 - Alle rechten voorbehouden

Deze pagina afdrukken