Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
    Kerken Overzicht
    Kloosters Overzicht
       Klooster Mariendaal
       Klooster Casa de Pauw
    Begraafplaatsen Overzicht
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Klooster Mariendaal

Inhoud

Overzicht
Geschiedenis
Moderne Devotie van Geert Grote
Stenen Tafels Mariendaal
Literatuur


 

Mariendaal kloostercomplex 16e eeuw



Naar boven

Overzicht

Naam: Mariëndaal / Mariënborn
Ligging/Adres: Landgoed Mariëndaal, Arnhem
Kloosterorde: Augustijnen, Moderne Devotie van Geert Grote (Congregatie van Windesheim)
Stichting in Arnhem: 1392
Einde van het klooster: 1586-1587; sloop van het kloostergebouw


 

Stenen Tafel Mariendaal Een kloostergrafzerk als stenen tafel op de kruising Middellaan en Tafellaan.



Naar boven

Geschiedenis

Ten westen van de stad Arnhem slijpt al sinds de ijstijden een beek een dal van de stuwwal uit. Deze beek werd en wordt Slijpbeek (Sliepbeek), Klingelbeek (‘cling’= heuvel) of Mariëndaalbeek genoemd. In het dal bevinden zich meer kleinere beken die vanuit verschillende bronnen en sprengkoppen (uitgegraven verzamelplek van grondwater) beginnen.
In een hoger gelegen deel van dat dal, in de onmiddellijke nabijheid van de sprengkop van de beek, stelde een aanzienlijke Arnhemse burger - Wijnand van Arnhem - in 1392 grond ter beschikking om een klooster te stichten. Het klooster kreeg, naar de ligging bij de bronnen en beken, de naam ‘Domus Fontis Beatae Mariae’, ‘Het huis bij de bron van de Heilige Maria’. Deze lange naam werd in het dagelijks gebruik Fonteijne-klooster (fonteijn=bron), Mariënborn (born=bron) en later Mariëndaal.

Wijnand van Arnhem had van de Gelderse Hertog Willem van Gulik en de bisschop van Utrecht, Floris van Wevelinchoven, toestemming gekregen om het klooster te vormen naar het voorbeeld van het beroemde klooster te Windesheim, even ten zuiden van Zwolle. Daar leefden Geert Grote en zijn volgelingen volgens de regels van de ‘Augustijner orde der Reguliere kanunniken’. Eén van die volgelingen, de Arnhemse burger Arent van Gruythuijzen, ondersteunde Wijnand van Arnhem bij de stichting van het nieuwe Augustijnerklooster bij Arnhem. enkele geestelijken, waaronder Meester Floris Radewijns, Willem van Gronde en Jan van Brinkrink, kwamen uit Windesheim over om voor de inrichting van het klooster te zorgen.
De bouwmeesters waren Hendrik Wildo uit 's-Hertogenbosch en Hendrik Wilsen uit Kampen. De eerste rector van het klooster was Johannes van Kempen, de broer van de beroemde Thomas à Kempis. De eerste prior (bestuurder) was Arnold van Kalkar.
Het klooster maakte een geheel uit met het klooster te Windesheim en werd “de oudste dochter van Windesheim" genoemd. De kleding van de kloosterlingen bestond uit een wit overkleed met daarboven een zwarte kap. De bewoners van het klooster hielden zich vooral bezig met landbouw en wetenschap. Beroemd was de schrijf- en boekenzaal, het scriptorium, van het klooster. Het klooster had een eigen kerkhof. Daar werd o.a. Mechteld van Gelre (overleden 1381) begraven.
Een brand in 1496 verwoestte vrijwel het gehele kloostercomplex (kloostergebouw, kloosterkerk en bijgebouwen), dat in de jaren daarvoor juist flink was uitgebreid.
Het grondbezit van het klooster groeide sterk. Aangrenzende gebieden van o.a. de huidige delen Hoog Erf en Lichtenbeek gingen tot het kloosterbezit horen. Ook had het klooster landerijen in de uiterwaarden bij Oosterbeek en bij Warnsborn. De rijkdom van het klooster groeide verder door het beheer van vier watermolens langs de beek, waaronder waterkorenmolen ‘De Hes’ in de buurschap Clingelbeek. De broeders hielden verder drie schaapkudden. Voor het behandelen van de wol beschikte het klooster over een volmolen (vollen = vervilten door voortdurend aanstampen in kuipen met urine en boter).
De groeiende rijkdom van het klooster stond in contrast met de oorspronkelijke doelstellingen van de kloostergemeenschap. Klaagde een kloosterling in het begin nog dat ‘De gasten en de varkens hebben het hier beter dan de mensen’, in de 16de eeuw is er sprake van uitspattingen. In 1557 wordt de gelofte van kuisheid geschonden en moet de kloosteroverste de hulp inroepen van Het Hof van Gelre om de overtreder uit het klooster te laten verwijderen. In 1569 werden drie kloosterlingen wegens gebrek aan tucht in de gevangenis van de Janspoort in Arnhem opgesloten.

De kritiek die de Moderne Devotie had op de rijkdom en macht van de katholieke kerk kreeg rond 1520 een nieuwe dimensie met de ideeën van Maarten Luther. Hervormde predikers vanuit Duitsland vonden dan ook onderdak in het klooster Mariëndaal. De kloosterlingen zelf bleven trouw aan Rome en de paus. In 1578 ging Arnhem over tot het Hervormde geloof. Alle katholieke instellingen in de stad werden in snel tempo ontmanteld en dat verliep niet altijd even zachtzinnig. Om de verdere overgang in goede banen te leiden, besloot het Arnhemse stadsbestuur op 1 februari 1580 om alle kloostergebouwen rondom de stad zelf te slopen om ‘onordent-liche affbreken ende devasteren’ te voorkomen. Daarop verzocht het plaatsvervangend hoofd (procurator) van Mariëndaal aan de stedelijke overheid om de sloop van zijn gebouw nuttig aan te wenden. Hij wilde voorkomen dat ‘hoeren en boeven’ met het gebouw en de inventaris aan de haal gingen. Aldus geschiedde en werden de stenen van het kloostercomplex gebruikt om de lanen in het landgoed te verharden. Het grootste deel van de stenen werd gebruikt bij de (her)bouw van diverse bouwwerken, vooral de poorten en muren van de vestingwerken, in Arnhem. Het klooster werd in 1580 verlaten, waarna vanaf 1586 de totale sloop plaatsvond.
De kloostergronden en de buitenbezittingen werden door de Gedeputeerden van het Kwartier van Veluwe, waaronder Arnhem en Mariëndaal vielen, in beslag genomen en verkocht.



Naar boven


Ruine van klooster Mariendaal, ca 1700 Een tekening van Abraham Rademaker



Naar boven

Moderne Devotie van Geert Grote

Het klooster Mariëndaal behoorde tot een samenwerkingsverband van vier kloosters, de ‘Congregratie van Windesheim’. Na Mariëndaal, ‘de oudste dochter’, werden vanuit het moederklooster Windesheim ook nog geloofsgemeenschappen in Eemstein (bij Zwijndrecht) en Hoorn (klooster Nieuwlicht) gesticht. De Congregratie van Windesheim komt voort uit de beweging ‘De Moderne Devotie’ van Geert Grote.
Geert Grote werd geboren in oktober 1340 te Deventer en kwam uit een rijk burgemeestergezin magistraatsfamilie. Vanaf 1355 studeerde Grote aan de Sorbonne in Parijs en in Keulen geneeskunde, theologie en en kerkelijk recht. Na zijn studie was hij van 1368 tot 1374 kanunnik van de Dom van Aken en van 1371 tot 1374 had hij een kanunniksplaats bij de Utrechtse Dom. In zijn jeugd leidde hij een losbandig leven, maar onder invloed van o.a. Jan van Ruysbroek en na een ernstige ziekte in 1372 besloot hij tot een meer sobere levenswijze. Van 1374 tot 1377 woonde hij bij de karthuizermonniken van Monnikhuizen bij Arnhem en was onder de indruk van hun individueel gerichte vroomheid en hun strenge leefwijze. Grote werd in 1379 te Utrecht tot diaken gewijd en hield vanaf dat moment boetepreken in vele Noord-Nederlandse steden, bijvoorbeeld tegen als gehuwden levende priesters (synode van 1383) en kloosterlingen met bezit.
Hij verzamelde als gevolg van zijn preken een groep volgelingen om zich heen, de Moderne devoten. Hieruit ontstonden uiteindelijk de Broeders en Zusters Des Gemeenen Levens.
De leden van deze gemeenschappen legden geen gelofte af, maar woonden samen in broeder- en zusterhuizen. De term 'gemeen' betekent 'gezamenlijk', omdat in de gemeenschap geen eigen bezit was toegestaan. De regels waaronder de broeders en zusters des gemenen levens leefden, waren dan ook bijna kloosterregels. Zij wensten niets anders dan de deugdzaamheid en soberheid, zeker ook wat hun huizen betrof. Omstreeks 1400 waren er alleen al in Deventer, Zwolle en Kampen dertien zusterhuizen. Rond 1450 waren er negentien broederhuizen in Nederland, Westfalen en andere Duitse gebieden.
Geert Grote overleed op 20 augustus 1384 in Deventer aan de pest.
Op zijn sterfbed vroeg Geert Grote om naar beginselen van de Moderne Devotie kloosters te stichten. Hij wilde hiermee de beweging na zijn dood veilig stellen. Drie jaar later werd in Windesheim bij Zwolle het eerste klooster van de Moderne Devotie ingewijd. Spoedig volgden andere kloosters, als eerste Mariëndaal bij Arnhem in 1392.
Als kloosterregels koos men de regels van Augustinus wat ten gevolge had dat de Windesheimer congregatie zich meer beschouwend (denkend, lezend, wetenschappelijk) dan praktisch (bidden, werken) ontwikkelde. Maar ondanks hun leuze "met een boekje in een hoekje", groeide de congregatie sterker dan de broederschap des gemenen levens. Zo kregen wij dus, naast de huizen van de broeders en zusters die leken waren, ook kloosters van de Moderne Devotie, maar dan voor monniken en nonnen.

De leden van de beweging streefden naar herleving van het oude oorspronkelijke christendom. De Moderne Devotie werd dan ook in de praktijk gebracht door Christus als voorbeeldig levend mens na te leven. De bekendste volgeling van Grote, Thomas a Kempis, schreef daarom ook de Imitatione Christi, de "Navolging van Christus". Dit boek wordt wel gezien als het meest verbreide godsdienstige christelijke boek na de bijbel. In elk geval zijn er meer dan vierduizend drukken van bekend in talloze talen waaronder bijv. ook het Fries, Hebreeuws, Arabisch, Armeens, Chinees en Japans.

De moderne devoten wensten een sobere, eenvoudige leefwijze en zij hadden kritiek op die van de toenmalige geestelijkheid. De Moderne Devotie liep dan ook vooruit op het protestantisme, terwijl het ook verbindingen had met de renaissance en het 16e eeuwse humanisme. De ironie wil dat het juist de hervormers in Arnhem waren die de ondergang van het klooster Mariëndaal bewerkstelligden.

In Arnhem leefden de nonnen in het klooster aan de Beekstraat ook volgens de richtlijnen van Geert Grote. Zij stonden onder toezicht van de prior (onderoverste) van Windesheim en later Mariëndaal. De ‘Zusters des Gemeenen Levens’ verruilden in 1428 de Beekstraat voor het klooster Bethaniën (Presikhaaf). Het klooster aan de Beekstraat werd gewijd aan de heilige Agnes (Agnietenklooster) en werd na de hervorming het onderkomen van het St. Catharinagasthuis.


 

Geert Grote



Naar boven

Stenen Tafel Mariendaal


Stenen Tafel Mariendaal 



Naar boven

Van het klooster zelf is niets meer over. Het moet gestaan hebben op de weide naast de Middellaan even ten noordoosten van het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek en de parkeerplaats. Wel is er nog een aantal zwaar beschadigde grafzerken, waarvan er één als stenen tafel is opgesteld bovenaan de Middellaan op de kruising met de Tafellaan.
Drie grafzerken lagen lange tijd aan de bosrand bij de plaats van het klooster, maar zijn in 1967 ondergebracht in de Christuskoepel (bouwjaar 1939-1940) op de Looberg in de zuidoosthoek van het landgoed.
Ook herinneren de straatnamen Geert Grotelaan en Thomas a Kempislaan bij het vroegere klooster Monnikhuizen aan de inspiratoren van het verdwenen klooster Mariëndaal. Van het klooster Monnikenhuizen zijn ook grafzerken, stenen tafels, bewaard gebleven.


 

Stenen Tafel Mariendaal Inscriptie van de vroegere grafzerk van het klooster Mariendaal die nu dienst doet als 'stenen tafel'.



Naar boven

Literatuur

Bemmel, H.Chr. van (2005). Beeldenstorm in Arnhem.
In: Arnhem de Genoeglijkste, 2005, jrg. 25, nr.3 (themanummer ‘Kerken in Arnhem’), pp. 91-99.

De Gelderlander

Iddekinge, P.R.A., e.a. (Eds.) (1982/1983). Ach Lieve Tijd. 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en hun rijke verleden. Deel , p.
Arnhem/Zwolle: De Gelderse Boekhandel - Uitgeverij Waanders.

Janssen, G.B. (1999). Arnhemse molens en hun geschiedenis.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 34-36.

Kooger, H. (1987). Rondom den Brink. Zwerven door West-Arnhem.
Arnhem: KEMA. p. 9.

Markus, A. (1907). Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen.
Arnhem: Gijsbers & Van Loon, 1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1907. pp. 474-475.

Nijhoff. Is. An. (1828). Wandelingen in een gedeelte van Gelderland, of geschiedkundige en plaatsbeschrijvende beschouwing van de omstreken der stad Arnhem.
Arnhem: Paulus Nijhoff; vierde druk, 1e druk 1820. pp.

Schulte, A.G. & Schulte-van Wersch, C.J.M. (1999). Monumentaal groen. Kleine cultuurgeschiedenis van de Arnhemse parken.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 51-53

Staats Evers, J.W. (1868). Beschrijving van Arnhem.
Arnhem: Nijhoff & Zn. pp. 103-104.

Ven, A.J. van de (1933). De oude buitenverblijven rondom de stad.
In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek.
Arnhem: Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers, 1933, pp. 187-223, m.n. pp. 191-194.


Afbeeldingen uit bovenstaande literatuur, Gelders Archief, Historisch Museum Arnhem en Bibliotheek Arnhem.



Naar boven

Printerversie