Startpagina
Geschiedenis tot 1900
    Stuwwal
    Grafheuvels Warnsborn
    Castellum Meijnerswijk
    Arneym
    Stadsrechtenbrief
       Middeleeuwse stad
       Middeleeuws bestuur
       Middeleeuwse huizen
    Commanderij en gasthuizen
    Kloosters
    Rijn- en Hanzehandel
    Rijnverlegging
    Karel van Gelre
    Beeldenstorm
    Van Geelkercken
    Zypendaal
    Prodesse en Lorentz
    Regenten in het nauw
    Franse Tijd
    Stad der Provincie
    Sloop Vestingwerken
    Treinverbindingen
    Uitbreidingsplan
    Arnhemsche Courant
    Haagje van het Oosten
    Fabriekskinderen
    Emancipatiebewegingen
    Aankoop Sonsbeek
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Middeleeuwse huizen

Inhoud

Mensen in de middeleeuwse stad
Huis en (brand)haard
Het verleden in het heden
Literatuur




Naar boven

Mensen in de middeleeuwse stad

Van het Arnhem voor 1500 zijn geen statistieken of tellingen bekend. Evenmin zijn er kaarten of plattegronden van voor 1560, waarop we het aantal huizen kunnen achterhalen. Van de telling uit 1431/1432 zijn helaas geen cijfers bewaard gebleven. Wel kunnen we op basis van gegevens van andere steden uit de 13e t/m 15e eeuw en bronnen uit de zestiende eeuw een ruwe schatting maken hoeveel mensen Arnhem ongeveer in de late middeleeuwen geteld moet hebben. Dat moeten er rond 1400 zo’n 4.000 zijn geweest. Als we dan terugrekenen, dan moet de bevolking rond 1200 ongeveer uit 2.000 personen hebben bestaan.
Tot 1350 blijft handel en nijverheid in Arnhem beperkt tot een klein deel van de stadsbevolking. Het boerenbedrijf was de voornaamste bron van inkomsten. Ook voor het gemeentebestuur, want 13% van alle inkomsten in de stadskas kwam rond 1400 uit de agrarische beroepstak. In vergelijking met steden als Doesburg (21%) en Zutphen (40%) is dat nog weinig. Dit kwam doordat het gemeentebestuur maar weinig gronden binnen en buiten de stad in bezit had.
De inkomsten uit de landbouw waren vooral te danken aan de vergoeding die de burgers moesten betalen om hun vee op de gemeenschappelijke weide, de Stadsweert (Insula civitatis), te mogen laten grazen. Deze lag buiten de Sabelspoort. Als burgers hun koeien hier wilden laten grazen, moesten de dieren van een brandmerk worden voorzien, waarmee gecontroleerd kon worden of ook daadwerkelijk voor het weiden was betaald. Tussen 1350 en 1360 werden zo ongeveer per jaar duizend beesten gebrandmerkt.
Behalve op de Stadsweert werden ook andere uiterwaarden van de Rijn en de IJssel door de bewoners als veeweide gebruikt. Zo werden de uiterwaarden van Het Broek in 1364, na de grote stadsbrand, met toestemming van de hertog onder de burgers verdeeld. Voor akkerbouw waren deze gronden ongeschikt, omdat bij hoog water de Rijn dit gebied overstroomde.
De Arnhemmers hadden niet alleen buiten de stadsmuren hun akkers en veeweiden. De uiterwaarden van de Rijn en de IJssel werden door de bewoners hier voor gebruikt. In de stad zelf stonden veel boerderijen, grote moestuinen, boomgaarden, stallen, varkenshokken en alles wat bij het boerenbedrijf hoorde. Het Sint Catharinagasthuis bezat in 1396 bijvoorbeeld de ‘Sente Clarenbongart’ met vierentwintig hofsteden (boerderijen) tussen de Jansbeek en de stadsmuur; midden in de stad dus. De graaf van Gelre had in de 14e eeuw ook verschillende hofsteden in de stad (o.a ‘Die Schure’). Daarnaast werd het graan van de graaf opgeslagen in ‘De Hooybergh’, een boerderij/opslagplaats in de stad.
Langzamerhand werd het boerenbedrijf binnen de stadsmuren teruggedrongen. In verband met brandgevaar mochten de zolders niet meer gebruikt worden voor opslag van riet, hooi of stro.
Het vee en alles wat daarbij hoorde (mest, voer) verdween ook stilaan uit de stad. In het midden van de 14e eeuw moest elke zaterdag de mest uit de stad gebracht worden. Aan het eind van de 15e eeuw is het verboden om varkenskotten (hokken) aan de straatzijde te bouwen. De mestvarkens mochten alleen nog op het eigen erf of binnenshuis gehouden worden. De varkens moesten bovendien geringd worden, zodat bekend was wie de eigenaar van het beest was.
Dat Arnhem nog tot ver in de 15e eeuw een ’boerenstad’ was, blijkt ook uit toen in 1432/33 tijdens de oogst het stadsbestuur alle activiteiten stil legde. In 1526 telde de stad nog binnen de stadsmuren 119 varkens en 2.238 schapen.

Niet alleen door het boerenbedrijf was het vies en onhygiënisch in het middeleeuwse Arnhem. In dezelfde tijd (14e eeuw) dat het stadsbestuur de bewoners opdroeg om de mest eenmaal per week uit de stad te brengen, komt het besluit dat de burgers hun primitieve toiletten, die voor de huizen op straat stonden, af te breken.



Naar boven

Huis en (brand)haard

De middeleeuwse huizen van hout, riet en stro waren erg brandgevaarlijk. Iedere middeleeuwse stad heeft dan ook één of meer grote branden gehad. Arnhem in 1364, 1419 en 1422. Na de branden in de winter van 1419 en 1422 nam het stadsbestuur verschillende besluiten om brand te voorkomen en sneller te bestrijden. Ieder huis moest een emmer water en een ladder hebben. Verder werden brandladders besteld en gemaakt. Ook werd het gebruik van baksteen en van dakpannen of leien gestimuleerd.
Met name voor die laatste maatregel werd veel reclame gemaakt. Er werden gratis pannen door het gemeentebestuur aangeboden als zij hun huis in steen zouden opbouwen. En dat heeft het gemeentebestuur heel wat gekost. In 1419/20 bestond 25% van alle stadsuitgaven uit de aanschaf en verspreiding van die gratis dakpannen; een jaar later was dit 20%.
Aan het einde van de dertiende eeuw neemt het stadsbestuur een steenbakker in dienst. Deze’ stadstichelaar’ bakte in opdracht, en volgens contract, de stenen en pannen. De kwaliteit en de vorm van de stenen werd vooraf afgesproken. In de ‘raetcamer’ van het stadhuis werd een steenvorm bewaard, die als model diende voor de te bakken stenen.
De stadssteenbakkerij maakte vooral stenen voor de bouw van de stadsmuur. Na de stadsbranden werden ook steeds meer stenen voor huizen gebakken. Na 1350 neemt het aantal steen- en panovens toe (Het Broek, Monnikenhuizen en Presikhaaf). De grondstof voor de stenen en pannen was in de onmiddellijke nabijheid. Rivierklei werd uit de Rijn geschept om er vervolgens stenen of pannen van te bakken. Per jaar kon zo’n steenoven ongeveer 20 à 25.000 stenen bakken. Dat was bij lange na niet genoeg om aan de vraag van stenen te voldoen. Want behalve voor de huizen waren er ook ook steeds stenen nodig voor de stadsmuur. Geld was nog niet op grote schaal in gebruik en het gemeentebestuur voerde daarom de ‘steenboetes’ in. Bij een overtreding moest de boete in stenen worden betaald; vissen in verboden water kostte de dader vijfduizend stenen.
Het duurt nog tot 1600 voordat de houten voor- en achtergevels worden verboden.



Naar boven

Het verleden in het heden

In de straatnamen zien wij nog veel van de landbouwactiviteiten binnen het middeleeuwse Arnhem terug: Roggestraat, Korenstraat, Korenmarkt, Varkensstraat.
Tussen de winkelstraten Koningstraat, Bakkerstraat, Weverstraat en Kortestraat zijn achter de winkels nog verschillende stadstuinen te bezichtigen. Het zijn de overblijfselen van de moestuinen, stadsboerderijen uit de middeleeuwen. In de 18e eeuw werden ze veranderd in stadstuinen door de rijke bewoners van de grote herenhuizen in deze straten.
De winkelpassage Hemelrijck is het toegankelijkst, maar ook de achteringang in de Kerkstraat van het notarishuis geeft zicht op de groene geschiedenis van de binnenstad.
Bij een bezoek aan het Theater aan de Rijn moet je vragen of je de achtertuin eens mag zien. Deze is ook te bereiken via de parkeerplaats en doorgang achter de Bartokzaal in de Kortestraat. Als dit niet lukt, eet dan eens op een mooie zomeravond op het tuinterras van restaurant La Rusticana, in de Bakkerstraat. Een restant van het binnenstadsgroen uit lang vervlogen tijden.
Eigenlijk zijn maar twee middeleeuwse huizen van voor 1500 in Arnhem bewaard gebleven: het Presickhaeffs Huys (Kerkstraat 19) en het St. Petersgasthuis (Rijnstraat 71).
Daarnaast staan nog een aantal huizen in de Vijzelstraat (nr. 7, vroeger genaamd Rijkckestein; nu Jeanscentre en nr. 27; nu Schoenen Hessels) en de Bakkerstraat 17 (vroeger De Crabbe; nu Laura Ashley) die een middeleeuwse oorspong hebben, maar daar is nu aan de buitenkant niets meer van te zien. Het Duivelshuis (Maarten van Rossumhuis) werd gebouwd in 1544 en is eerder aan te merken als een renaissancistisch huis dan als een middeleeuws huis. Ditzelfde geldt voor De Moriaan (ook wel de Matador genoemd) in de Rijnstraat (nu: Sting Store).
Trouwens als je op zoek bent naar de huisnummers in de Vijzelstraat, Bakkerstraat en Rijnstraat, vergis je dan niet. De straatzijden zijn niet oneven en even genummerd, maar doorlopend. Dus opletten en goed bij het begin van elke straat even naar boven kijken, want daar staat het aangegeven.
Onder de grond (middeleeuwse kelders) en op voor het oog niet zo zichtbare plekken nog wel middeleeuwse bebouwing aan te treffen in de binnenstad. Met name de achterkanten van de winkels in de Vijzelstraat levert wat op.
Het project Rijnstraatkelders vergoedt veel wat het beschouwen en bewonderen van de ‘het verleden in het heden’ betreft.



Naar boven

Literatuur

Alberts, W. Jappe, Arnhem. Het leven in een middeleeuwse stad.
Uitgeverij De Bataafsche Leeuw, Dieren, 1983.
Hierin staat veel informatie over de periode na 1200. Het accent ligt op de tijd rond 1400. De belangrijkste bron die voor dit is gebruikt, zijn de middeleeuwse stadsrekeningen van Arnhem. Door het veelvuldig citeren uit deze rekeningen, leest het boek niet zo vlot, maar het is nog steeds de meest complete introductie op het middeleeuwse Arnhem. Helaas heeft het boek maar een paar afbeeldingen in zwart/wit.

Borman, R., Arnhem onder de grond. Bewoningsgeschiedenis van stad en omgeving.
Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 1993.
(Historische Reeks Arnhem deel 3)
pp. 56-72
Naast een beschrijving van de archeologische vondsten uit het middeleeuwse Arnhem bevat dit boek veel praktische en overzichtelijke informatie. De kaartjes waarin gedeelten van het middeleeuwse Arnhem in een moderne plattegrond zijn geplaatst, verduidelijken ook veel.
Leerlingen van HAVO of VWO en van de 2e Fase van de middelbare school die een werkstuk maken over de middeleeuwen in Arnhem kunnen het beste met dit boek beginnen.

Iddekinge, P.R.A., e.a. (eds.), Ach Lieve Tijd. 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en hun rijke verleden.
De Gelderse Boekhandel - Uitgeverij Waanders, Arnhem –Zwolle, 1982/1983.
(13-delige serie)
In deze dertiendelige serie behandelt elk deel een apart thema. Vlot geschreven en prachtige (kleuren)afbeeldingen. Leerlingen in de basisvorming en in de bovenbouw-VMBO zullen met deze serie goed uit de voeten kunnen. Het nadeel is dus dat alles wel wat verspreid staat.
Van de hierboven beschreven onderwerpen heb ik zelf de volgende bladzijdes gebruikt:
Deel 2, pagina 31-36
Deel 5, pagina 103-105
Deel 7, pagina 154
Deel 6, pagina 127-131;
Deel 11, pagina 272, 273

Jong, W. de, Arnhem. Groene stad aan de Rijn.
Stichting Arnhem 750, Arnhem, 1983.
Pagina 5-11
Vergelijkbaar met “Ach Lieve Tijd’, maar dan chronologisch geordend in één tijdschrift. Leerlingen van de basisschool die iets willen weten over de middeleeuwen in Arnhem kunnen het beste hiermee beginnen.

Frank, C.J.B.P. en F.A.C. Haans, De binnenstad. Duizend jaar wonen in Arnhem tussen Singels en Rijn.
Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 1996.
(Arnhemse monumentenreeks deel 1)
Pagina 9-20
Alles over de architectuur van middeleeuwse huizen in Arnhem, zowel wat vroeger betreft als wat nu nog in Arnhem daarvan te zien is.



Naar boven

Printerversie