Startpagina
Geschiedenis tot 1900
    Stuwwal
    Grafheuvels Warnsborn
    Castellum Meijnerswijk
    Arneym
    Stadsrechtenbrief
    Commanderij en gasthuizen
    Kloosters
    Rijn- en Hanzehandel
    Rijnverlegging
    Karel van Gelre
    Beeldenstorm
    Van Geelkercken
    Zypendaal
    Prodesse en Lorentz
    Regenten in het nauw
    Franse Tijd
    Stad der Provincie
    Sloop Vestingwerken
       Negentiende Eeuw
    Treinverbindingen
    Uitbreidingsplan
    Arnhemsche Courant
    Haagje van het Oosten
    Fabriekskinderen
    Emancipatiebewegingen
    Aankoop Sonsbeek
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Negentiende Eeuw

Van de stadsmuren bevrijd

In 1808 weet Arnhem in het bezit te komen van de buitenwerken rondom de stadsmuren. Na een gedeeltelijke sloop, wordt de stad in 1812 weer geheel versterkt. Tevergeefs, zoals we gezien hebben, want het Duits-Russische bombardement en daaropvolgende bestorming in 1813 slaan grote gaten in de oude verdedigingswerken.
Nadat Arnhem in 1817 officieel de hoofdstad van Gelderland is geworden, krijgt het in hetzelfde jaar van Koning Willem 1 toestemming om de buitenwerken te veranderen in bolwerkplantsoenen. Daar blijft het niet bij. Krijgen de meeste steden pas bij de Vestingwet van 1874 de gelegenheid om hun stadsmuren te slopen, Arnhem mag dat al in 1829. In twintig jaar tijd worden de oude stadsmuren met de grond gelijk gemaakt. Het puin wordt gebruikt om de stadsgracht, de singels, te dempen. De bolwerkplantsoenen verdwijnen hierbij.

Met het verdwijnen van de stadsmuur staat de stad nu direct in verbinding met de natuur. Rijke mensen uit het westen van het land worden door de ligging van Arnhem aangetrokken. Grote villa’s verrijzen langs het Nieuwe Plein. Daarnaast trekken andere grote projecten veel arbeiders aan, zoals de bouw van Musis Sacrum in 1847.
Een ander groot bouwproject scheidt Arnhem weer van de natuur. In 1845 is de treinverbinding met Utrecht-Amsterdam, de Rhijnspoorweg, in gebruik genomen. Daarvoor moet aan de westkant van de stad in het fraaie landschap zowel een spoordijk (Mariëndaal) worden gebouwd als een kloof (Heijenoord, Lombok) worden gegraven. De verlenging van deze lijn naar Zevenaar en Emmerik gebeurt, tegen de zin van het gemeentebestuur langs de noordkant van de stad. Om de spoorlijn de hoogteverschillen langs de rand van de Veluwezoom te laten overbruggen, moet opnieuw een spoordijk worden aangelegd, maar nu dwars door de stad. Met het gereedkomen van de spoorlijn in 1856 verdwijnt het zo fraaie uitzicht van de villa’s langs de Jans- en Eusebiussingels.
Een tweede teleurstelling is de route van de spoorlijn naar Nijmegen. Niet langs de haven en langs Elden, de wens van de Arnhemse bestuurders, maar via Oosterbeek.


 

Arnhem, 1813 Aan de oostzijde van de stad zijn de buitenwerken al geslecht.



Naar boven

De grote doorbraak: de uitbreiding na 1853

De grote bouwprojecten in en om Arnhem lokken veel arbeiders, die in zeer slechte huizen hun onderdak vinden. Het gemeentebestuur richt haar aandacht vooral op het aantrekken van nog meer welgestelden. In 1853 presenteert stadsarchitect H.J. Heuvelink een nieuw uitbreidingsplan. Met dit plan verdwijnen de laatste vestingwerken en wordt villabouw langs de singels en de uitvalswegen (Utrechtseweg, Velperweg, Amsterdamseweg) mogelijk gemaakt. In de tweede plaats worden de ergste arbeiderssloppenwijken opgeruimd en worden de nieuwe arbeiderswijken (Klarendal, Weerdjes, Ruiterstraat, Rietebeek), uit het zicht, achter de villa’s en de spoordijk gepland. De toestand van de arbeiders blijft erbarmelijk en enkele cholera-epidemieën (1853, 1859, 1866) maken veel slachtoffers.
Nog twintig jaar groeit Arnhem in bevolking en huizenbouw onstuimig. Daarna is het afgelopen. Arnhem raakt als woonstad uit de mode; andere steden (Nijmegen) slopen ook hun stadswallen en trekken de welgestelden aan.
Door de suikercrisis van 1884/85 vinden nog minder gepensioneerde oud-Indië-gangers hun weg naar Arnhem. De belangrijkste reden voor de teruggang is dat het gemeentebestuur vast houdt aan haar oude beleid van bevoordeling van de rijke bovenlaag en geen initiatieven ontplooit om industrie en nijverheid naar Arnhem te halen.
Door de aankoop van de landgoederen Klarenbeek (1886) en Sonsbeek (1899) verzekert het gemeentebestuur de stad van een ‘groen’ imago.


 

Uitbreidingsplan 1853



Naar boven

De nieuwe eeuw in

Met de woningwet van wordt Arnhem verplicht om de huizenbouw weer ter hand te nemen. Directeur W.F.C. Schaap van Gemeentewerken ontwerpt in 1904 een nieuw uitbreidingspan, waardoor wijken als de Burgemeesterswijk, het Ettypark (rond het voormalige Diaconessenziekenhuis), de Mussenbuurt, het Verschuerplein, het Goeman Borgesiusplein en het Talmaplein ontstaan. Alle bebouwing richt zich nog op de noord- en oostzijde van de stad.
De werkgelegenheid in industrialisatie en dienstverlening van Arnhem blijft ver achter bij die van andere Nederlandse steden. Dat alles verandert in 1911 als op initiatief van dr. J.C. Hartogs langs de Vosdijk de NV Nederlandsche Kunstzijdefabriek (ENKA) wordt gebouwd. In hetzelfde jaar komt het hoofdgebouw van de Nederlandse Heidemaatschappij naar Arnhem (Apeldoornseweg). Met de bouw van een nieuw groot veilinggebouw en het rijden van de eerste elektrische trams betekent 1911 een ommekeer voor de stad.


 

Spoorpoort Hommelseweg



Naar boven

Printerversie