Startpagina
Geschiedenis tot 1900
    Stuwwal
    Grafheuvels Warnsborn
    Castellum Meijnerswijk
    Arneym
    Stadsrechtenbrief
    Commanderij en gasthuizen
    Kloosters
    Rijn- en Hanzehandel
    Rijnverlegging
    Karel van Gelre
    Beeldenstorm
    Van Geelkercken
    Zypendaal
    Prodesse en Lorentz
    Regenten in het nauw
       Achttiende Eeuw
       Regenten en patriotten
    Franse Tijd
    Stad der Provincie
    Sloop Vestingwerken
    Treinverbindingen
    Uitbreidingsplan
    Arnhemsche Courant
    Haagje van het Oosten
    Fabriekskinderen
    Emancipatiebewegingen
    Aankoop Sonsbeek
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Regenten en patriotten

Inhoud

Plooierijen
Patriotten
Franse bezetting
Literatuur



Naar boven

Plooierijen

Sinds de Middeleeuwen maakten enkele vooraanstaande families de dienst uit in het Arnhemse stadsbestuur. De twaalf schepenen waren vooral afkomstig uit de families Brantsen, Tulleken en Van Eck. De Brantsens, eigenaar van onder meer het landgoed Zypendaal, hadden een machtswerk opgebouwd van verwanten en zakenrelaties in het stadsbestuur. In de schepenraad bezaten zij echter nooit meer dan de helft van de twaalf schepenstemmen. Andere schepenen waren gedwongen om met de Brantsenfactie samen te werken, maar omgekeerd hadden de Brantsens ook altijd iemand van buiten hun eigen kring nodig.
In het regeringsreglement van 1675 was bepaald dat de stadhouder, de prins van Oranje, de schepenen van Arnhem benoemde. Met regelmatige onderbrekingen (1702-1722) had de stadhouder dus grote invloed. Sinds 1688 was dat Willem III, die ervoor zorgde dat de schepenbenoemingen bij hem terechtkwam, wat inhield dat enkele van de Brantsenaanhangers het veld moesten ruimen.
Bij de dood van stadhouder Willem III in 1702 braken er overal in de Republiek de Verenigde Nederland in de gewesten en steden gevechten om de macht uit: de plooierijen. De Staten van Gelderland weigerden de nieuwe stadhouder Willem Friso te aanvaarden en er brak een tweede stadhouderloos tijdperk aan. Deze duurde in Gelderland tot 1722 toen de elfjarige Willem IV tot stadhouder werd benoemd. In 1748 werd hij op een buitengewone Landdag tot erfstadhouder verheven. Ook werd het regeringsreglement van 1675 in ere hersteld.

De Brantsens sloegen in 1703 hun slag: vijf nieuwe schepenen kwamen rechtstreeks uit hun kring en drie waren aan hun familie verbonden. Tegenover hen stonden vier schepenen die meer invloed eisten van de burgerij. Een Middeleeuwse machtsstrijd herleefde kortom. De partijen voorzagen zich van de steun van gewapende troepen. De ‘burgerijschepenen’ richtten ‘vrijwillige compagnieën’ op, die hen moesten ondersteunen.
Dezelfde situatie deed zich ook voor in Wageningen en toen over en weer troepen elkaar hielpen, grepen de Staten van Gelderland in. De belangrijkste “burgerijschepenen”, Derk Reinier van Bassenn en Willem Bouwensch, werden in 1708 respectievelijk verbannen en ter dood veroordeeld. De Brantsens sloten in 1710 een compromis ( tot voorkoominge van alle tweedracht ende jalousie )met de in 1703 uit de schepenraad verdwenen schepenen. Daarmee was de oude orde hersteld.
Bij de terugkeer van stadhouder Willem IV in 1722 kreeg deze ook de stadhouderlijke bevoegdheden voor het benoemen van schepenen terug. De Brantsen en De Bentincks wisten hun invloed wel te handhaven.
Het machtsspel tussen oude stadsregenten en stadhouderlijke regenten ging aan het merendeel van de burgers voorbij. Het volk ergerde zich steeds meer aan de corrupte regentenpolitiek.
Als landdrost Goossen Bentinck in 1782 een nieuw Oranjegezind raadslid in Arnhem benoemd, zonder de voordracht van het stadsbestuur af te wachten, lopen de gemoederen hoog op. In 1783 ontstaat er opnieuw verzet tegen het stadsbestuur. Dan wordt besloten om een gedeelte van het Noorder-Kerkhof (ten noorden van de Grote Eusebiuskerk richting Kerkstraat) op te heffen en als bouwgrond voor een woonhuis (”aan zekeren Israëliet Meijer”, de vader van de beroemde rechtsgeleerde Jonas Daniël Meijer) te verkopen. Op het kerkhof buiten de Grote Kerk werd vooral het niet rijke deel van de bevolking begraven. De welgestelden konden hun doden nog steeds begraven in de grafkelders van de Eusebiuskerk. Als vervanging voor dit stadskerkhof wil het gemeentebestuur een nieuw kerkhof aanleggen op de voormalige vuilstortplaats (de vilder stortte hier kadaverresten) buiten de stadsmuren (Velperpoort) op het oog. De arme Arnhemse bevolking komt hiertegen in opstand, omdat tot op dat moment alleen misdadigers buiten de stadsmuren werden begraven. De dan heersende besmettelijke ziekte de roode loop (dysenterie/buikloop), die veel slachtoffers maakt onder de bevolking, en de stijgende graanprijzen (1781: 6.64 gulden per hectoliter, 1782: fl 5.82, 1783: fl 7.29) wakkeren de onrust verder aan. De bevolking komt in verzet en wordt gesteund door patriotten, die streven naar een meer democratische bestuursvorm. Eén der eerste graven op de nieuwe begraafplaats wordt geopend en het dode lichaam wordt in optocht richting stadsbestuur gebracht. Er worden leuzen geroepen als ‘Vivat Arnhemse burgerij’. Vooral de volksvrouwen laten zich hierbij zien en horen. Een jaar later herhaalt zich deze situatie



Naar boven

Patriotten

De rellen in 1782, 1783 en 1784 waren niet alleen een uiting van ongenoegen, maar ook symbool van het opkomend patriottisme . De patriotten eisten een grotere rol van de burgerij in het bestuur. Zij verzetten zich tegen de regentenpolitiek van het stadsbestuur, maar nog meer tegen het bestuur van de stadhouder en de door hem gesteunde regenten. Het Gelderse Statenlid Joan Derk van der Capellen vertolkte met zijn pamflet “Aan het volk van Nederland” de algemene onvrede.
Stadhouder Willem V, die ook nog steeds kon rekenen op de steun van het ‘gewone volk’ en de hem gezinde regenten, wist met de hulp van Pruisische troepen (echtgenote Wilhelmina was de zus van de Pruisische koning) in 1787 nog de patriotten van zich af te houden. In Arnhem ging dit wederom gepaard met hevige onlusten en plunderingen. Veel patriotten vluchtten naar Frankrijk en keren, zes jaar na de Franse Revolutie, in 1795 met het Franse leger naar de Republiek terug. Door de strenge winter trekken de troepen over de bevroren rivieren. De stadhouder vlucht naar Engeland en op 17 januari 1795 veroveren de Fransen Arnhem.



Naar boven

Franse bezetting

Met de komst van de Franse soldaten verdubbelde het inwonertal. Achtduizend Arnhemmers moesten een even groot aantal Fransen kleden en voeden. Al snel was de sympathie voor de ‘bevrijders’ verdwenen.
De Franse wetgeving, gebaseerd op de Franse Revolutie, werd ingevoerd. De macht van de gilden werd afgeschaft (iedereen had de vrijheid om een beroep uit te oefenen). Het burgerrecht verdween ook (de gelijkheid) was een feit. Maar van broederschap was weinig te merken.
In 1806 wordt de Bataafse Republiek het Koninkrijk Holland, om in 1810 te worden ingelijfd in het Franse keizerrijk onder leiding van Napoleon.
Als Napoleon in 1813, na een mislukte veldtocht naar Rusland en de verloren “Volkerenslag” bij Leipzig, zich moet terugtrekken, wordt Arnhem belegerd door Duitse en Russische troepen. Een bombardement, bestorming en verovering is het gevolg, waarbij honderden soldaten aan beide zijden het leven lieten.
In oktober 1814 bezoekt de nieuwe koning Willem I voor het eerst Arnhem en in 1816 treedt een nieuw stadsreglement in werking.



Naar boven

Literatuur

Haak, S.P. (1933). Arnhem door de eeuwen heen. In: Arnhem Zeven Eeuwen Stad. Officieel gedenkboek.
Arnhem: Hijman, Stenfert Kroese en Van der Zande N.V. Boekverkoopers. pp. 29-92;
pp. 68-71.

Hasselt, G. van (1790). Kronijk van Arnhem.
Arnhem: W. Troost en Zoon.

Iddekinge, P.R.A., e.a. (Eds.) (1982/1983). Ach Lieve Tijd. 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en hun rijke verleden.
Arnhem/Zwolle: De Gelderse Boekhandel - Uitgeverij Waanders.

Knap, W. W.G.Zn. & Vergouwe, G.F.C. (1933). Arnhem 1233-1933. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Arnhems’ stedelijk bestaan.
Arnhem: N.V. Drukkerij en Uitgevers-Maatschappij De Vlijt.
pp. 51-52.

Markus, A. (1906). Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw met geschiedkundige aanteekeningen.
Arnhem: Gijsbers & Van Loon, 1975; ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1906.
pp. 175, 226-231.

Nijenhuis, P.P.Th. (1983). Arnhem in de achttiende eeuw: regentenfamilies aan de macht.
In: Manheim, R. (Ed.) (1983). Arnhem na 750 jaar. Machten, ervaringen, toekomsten.
Arnhem: Gemeentemuseum Arnhem. pp. 11-15.

Pols, J.F. (1996). Arnhemse regenten in de achttiende eeuw.
In: Bijdragen en Mededelingen van de Vereniging Gelre, deel 87, 1996, pp. 85-116.

Pols, J.F. (1988). Brave Burgerheren. Arnhemse regenten in de achttiende eeuw.
Ongepubliceerde doctoraalscriptie, KU Nijmegen, 1988.

Staats Evers, J.W. (1876). Kroniek van Arnhem 1233-1789.
Arnhem: Van Egmond & Heuvelink.

Staats Evers, J.W. (1868). Beschrijving van Arnhem.
Arnhem: Nijhoff & Zn.
p. 83.



Naar boven

Printerversie