Startpagina
Geschiedenis tot 1900
    Stuwwal
    Grafheuvels Warnsborn
    Castellum Meijnerswijk
    Arneym
    Stadsrechtenbrief
    Commanderij en gasthuizen
    Kloosters
    Rijn- en Hanzehandel
    Rijnverlegging
    Karel van Gelre
    Beeldenstorm
    Van Geelkercken
    Zypendaal
    Prodesse en Lorentz
    Regenten in het nauw
       Achttiende Eeuw
       Regenten en patriotten
    Franse Tijd
    Stad der Provincie
    Sloop Vestingwerken
    Treinverbindingen
    Uitbreidingsplan
    Arnhemsche Courant
    Haagje van het Oosten
    Fabriekskinderen
    Emancipatiebewegingen
    Aankoop Sonsbeek
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Achttiende Eeuw

Doordat in Arnhem het bestuur (Hof van Gelre en Zutphen, Gedeputeerdenkamer van het kwartier Veluwe) en de ambtenarij (Rekenkamer) van het gewest Gelre was gevestigd, gingen steeds meer hoge bestuurders in en om de stad wonen. Daarnaast werd de almaar groener wordende Veluwezoom rondom Arnhem een steeds geliefder woonplek voor adellijke families. Vele aristocraten bouwden landhuizen even buiten Arnhem en lieten in de stad winterverblijven verrijzen. De familie Brantsen is daarvan het meest sprekende voorbeeld. Ze bezat grond en huizen op Molenbeke, Zijpendaal en Hulkestein. Enkele grote patriciërshuizen in barok- en rococostijl in de Bakkerstraat (o.a. ‘de Olde Munte’) waren eveneens eigendom van het geslacht Brantsen.
De bestuurders van de stad en van het gewest probeerden de macht in eigen kring te houden. Daarbij kwam het tot een botsing tussen regenten die de stadhouder steunden (prinsgezinden) en regenten die niets moest weten van de dynastieke machtsaspiraties van de Oranjes. Ook werd de roep voor meer zeggenschap van de burgers groter. Deze machtsstrijd werd gedurende de gehele achttiende eeuw uitgevochten. In Arnhem leidde dit in de periodes 1702-1708, 1747-1748, 1782-1784 en 1798-1795 tot grote ongeregeldheden: de Gelderse Plooierijen. Een ‘Plooi’ is de zittende regentenpartij. Gesproken wordt dan ook van ‘oude’ en ‘nieuwe Plooi’. De machtsstrijd tussen regenten en burgers tussen prinsgezinden en patriotten, mondde tenslotte uit in de Franse bezetting in het jaar 1795.

In economische zin was Arnhem tot ver in de 17de eeuw een middeleeuwse stad gebleven. Regionale ambachtsnijverheid en landbouwproductie voerden de boventoon. In de 18de eeuw nam de handel tussen Holland en het Duitse Rijnland steeds meer toe. De grote Duitse rijnschepen uit Duisburg of Keulen konden echter niet de smallere Rijn na Arnhem bevaren. Arnhem werd een overslaghaven, waar goederen uit Duitsland in kleine schepen werden overgezet. Omgekeerd werden de goederen uit Holland overgeladen in de grotere Duitse schepen.
De toenemende macht van het bestuur en de groeiende handel kreeg gestalte in de bouw van een nieuw Waaggebouw op de Markt.

Enkele andere opzienbarende gebeurtenissen:
In 1735 werd de heerlijkheid Westervoort en het daarbijbehorende veer over de IJssel aangekocht.
In 1737 stond de Grote Eusebiuskerk, na een blikseminslag, weer in brand. Omdat men geloofde dat een brand door blikseminslag met melk in plaats van met water gedoofd moest worden, gebruikte men 640 kannen melk voor het bluswerk.
In 1772 verkreeg de stad het aan de overzijde van de Rijn gelegen Meijnerswijk. Daar op de ‘Paaschweide’ wordt (tot 1877) de kermis gevierd.


 

Arnhem vanuit het westen, 1782 Een schilderij van de Doesburger Derk Jan van Elten. Links op de voorgrond voert Onderlangs naar de schipbrug. Aan de overkant van de Rijn ligt de polder Meinerswijk met de Paaschweide. De mannen, rechts op de voorgrond, kunnen als symbool dienen voor de achttiende eeuw: kleding in Franse stijl en pruiken.



Naar boven

Printerversie