Startpagina
Geschiedenis tot 1900
    Stuwwal
    Grafheuvels Warnsborn
    Castellum Meijnerswijk
    Arneym
       Vroege middeleeuwen
    Stadsrechtenbrief
    Commanderij en gasthuizen
    Kloosters
    Rijn- en Hanzehandel
    Rijnverlegging
    Karel van Gelre
    Beeldenstorm
    Van Geelkercken
    Zypendaal
    Prodesse en Lorentz
    Regenten in het nauw
    Franse Tijd
    Stad der Provincie
    Sloop Vestingwerken
    Treinverbindingen
    Uitbreidingsplan
    Arnhemsche Courant
    Haagje van het Oosten
    Fabriekskinderen
    Emancipatiebewegingen
    Aankoop Sonsbeek
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Vroege middeleeuwen

Overzicht van de bewoning

Met de Romeinen vertrokken ook hun cultuur, schrift, techniek uit de Lage Landen. Archeologisch onderzoek heeft nog niet kunnen vaststellen of er sprake is van voortdurende bewoning van Arnhem in de vroege middeleeuwen. De jaren tussen 400 en 700 kunnen met recht 'de donkere middeleeuwen' genoemd worden.
Met enig speur- en denkwerk is een vermelding van de vroegste middeleeuwse bewoning in het gebied van het huidige Arnhem te plaatsen rond het jaar 726. In dat jaar schenkt de hofmeier (hoogste ambtenaar) Karel Martel van het groeiende Frankische Rijk aan de eerste bisschop van Utrecht, Willibrord verschillende landerijen. Onder deze landgoederen bevindt zich ook een nederzetting bij Elst in de buurt van een castrum. Als dat fort Castra Herculis is, dan betekent dat er een Arnhemse nederzetting is geweest.

Rond 814 na Christus is er een duidelijker schriftelijke vermelding van een nederzetting in de onmiddellijke omgeving van Arnhem: Meginhardeswich, het huidige Meijnerswijk op de zuidelijke oever van de Rijn. Dus weer in de buurt van het voormalige Castra Herculis. Met dit Meginhardeswich loopt het slecht af. Het wordt in 847 geplunderd door de Noormannen Vikingen, die deze keer hun buit verder stroomopwaarts dan de rijke handelshaven Dorestad (Wijk bij Duurstede) zochten.
De kerstening van Noord-Nederland gaat door en ook in Arnhem wordt een kerk gebouwd. Dat blijkt als in 893 Arnhem definitief in de geschreven geschiedenis opgenomen als het klooster (de Sint-Salvatorabdij) van het Duitse Prüm als een van zijn bezittingen 'Arneym' vermeldt. Dit Arneym, ten noorden van de Rijn, bestaat uit een kerk en enkele hoeven (boerderijen).


 

Frankisch riembeslag Sluitwerk van een Frankische riem gevonden in de omgeving van Arnhem



Naar boven

Arneym tussen graaf en kloosters

Hoe is de abdij van Prüm aan het gebied rond Arnhem gekomen?
Arnhem en omgeving was koninklijk bezit van het Merovingische en Karolingische vorstenhuis. Koning Pippijn de Korte, de vader van Karel de Grote, heeft een deel van zijn Arnhemse bezit rond 763 geschonken aan de abdij in Prüm.
Het andere deel van het koninklijke domein stond onder bestuur van de graven van Hamaland, waarvan Everhard en Meginhard de bekendste vertegenwoordigers zijn. Wichman, graaf van Hamaland, die afstamde van de familie Meginhard, had delen van zijn bezit afgestaan aan het Sint-Vitusklooster in Elten. Het bleef wel in de familie, want Wichman had zijn dochter Liutgarde als hoofd (abdis) van het klooster aangesteld. Een tweede dochter, Adela, was het er helemaal niet mee eens dat vader Wichman besloot om al zijn bezittingen aan het klooster over te dragen. Het liep zo hoog op dat Adela haar zuster waarschijnlijk vergiftigde. De keizer van het Duitse Rijk, want daarin was inmiddels het Frankische Rijk in overgegaan, greep in 996 in. De grond van de familie werd in tweeën gedeeld: de helft ging naar het klooster van Elten en de andere helft kwam in handen van de familie van Wassenberg. Uit deze laatste familie kwamen uiteindelijk de graven van Gelre voort.
Het gebied van Arnhem had dus drie bestuurders.
Het geestelijke bestuur van de abdij van Prum bezat een gebied waarvan het centrum (de hof) lag tussen de Grote of St. Eusebiuskerk en de Jansbeek.
De tweede geestelijke bestuurder, het Sint-Vitusklooster in Elten, bezat een kleiner gebied in de buurt van de beek (op de plaats van de huidige Rietgrachtstraat).
Het domein van de latere graven van Gelre lag ten westen van de Koningstraat. Het strekte zich uit vanaf het huidige Land van de Markt tot de Rijn. Dit gebied werd langzaam uitgebreid tot aan de huidige Korenmarkt.
De boeren van Arneym waren horigen. Ze mochten het domein van hun geestelijke of wereldlijke heren niet verlaten.


 

St Salvatorabdij in Pruem



Naar boven

Commanderij van Sint Jan

Er komen ook ridders naar Arnhem. Graaf Otto was in 1189 naar het Heilige Land op kruistocht gegaan. Bij terugkomst schonk hij een deel van zijn grond aan de Ridders van Sint Jan, hospitaalridders van de Tempel van Jeruzalem. Huidige namen als Jansplein, Jansplaats, Jansstraat herinneren aan plek waar de commanderij (hoofdkwartier), kerk en overige gebouwen van deze geestelijke ridderorde van de Johannieters stonden.

De Arnhemse nederzetting groeide en de graven van Gelre probeerden in 1233 een eind te maken aan de macht van de kloosters. Graaf Otto verleende aan alle Arnhemmers het stadsrecht. Daarmee begint een nieuwe periode in de geschiedenis van de stad.


Afbeeldingen uit bovenstaande literatuur, Gelders Archief en Historisch Museum Arnhem.


 

Commanderijgebied ca 1650



Naar boven

Printerversie