Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
Bronnen
    359, Castra Herculis
    893, Arneym
    1233, Stadsrechten
    1760, Beulscontract
    1892, verhoor fabrikant
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

893, Arneym




Naar boven

In Arnhem is een kerk die 1 pond tijns betaalt.
Daar bevinden zich 7 laathoeven; elke hoeve betaalt op St. Maarten 20 denariën, 2 mud rogge, 4 karren hout, met Pasen 1 kip en 5 eieren, op biddagen 2 varkens ter waarde van 5 denariën, met Pinksteren 6 denariën; in mei ’14 dagen’, in augustus evenzo.
Er zijn ook halve hoeven, die de helft aan tijns betalen met uitzondering van Pinksteren, waarop zij de 6 denariën niet hoeven te betalen; in Velp zijn 3 1/2 hoeven, die behoudens het 4de deel van de graanoogst niets aan tijns betalen. Op de Veluwe en in Monnikhuizen zijn 5 woeste hoeven.

Uit: Schulte, A.G. (1994). De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad.
Utrecht: Uitgeverij Stichting Matrijs. p. 35.


 


Naar boven

Toelichting

Woordenlijst


 


Naar boven

Bron   Verklaring 
pond  gewichts- of munteenheid 
tijns   belasting (cijns, accijns) 
laathoeve  boerderij van een horige; een halfvrije boer 
hoeve  boerderij 
denari n  (zilveren) muntstukkem 
mud  (oude) inhoudsmaat; nu één hectoliter 
halve hoeve  boerderij met een grondoppervlak van ongeveer 8 hectare (= 80.000 vierkante meter= ongeveer 12,5 voetbalvelden) 
biddag  dag van algemeen georganiseerd gebed;de biddag voor het gewas (bidden dat er een goede oogst zal zijn) is in maart.Naast de biddagen zijn er ook de dankdagen. In oktober of november is er de dankdag voor het gewas (en de arbeid).  
St. Maarten  11 november; de kerkelijke feestdag van Sint Martinus/Sint Maarten 
woest  grond die nergens voor gebruikt kan worden; nog te ontginnen gebieden;Op de Veluwe en bij Monnikhuizen waren dat vooral heide-, zand- en bosgebieden.  


Naar boven

Inhoud en betekenis

De oorspronkelijke bron is in het Latijn opgesteld, wat laat zien dat - door de taal - de Romeinse cultuur voortleeft in het middeleeuwse Europa. Ook zien we dit aan de ‘denarius’; een van oorsprong Romeinse zilveren munt.
Zowel de bron als Arnhem zijn in het bezit van een klooster. Godsdienst, in de vorm van monniken in een klooster, neemt dus een belangrijke culturele plaats in. We zien het belang van de godsdienst ook aan de vermelding in de bron van de verschillende kerkelijke feestdagen (Pasen, Pinksteren) en de biddagen. Het expliciet noemen van St. Maarten zou erop duiden dat de in de bron genoemde kerk de St. Maartenskerk in Arnhem is (in 1452 opgegaan in de Grote of Eusebiuskerk)
Er moet zowel belasting in natuur als in munt betaald worden, wat betekent dat er een gemengde naturale/geldeconomie bestaat. De ‘natuureconomie’ zal overheersend zijn geweest, want van echte handel is nog geen sprake.
Arnhem is rond 900 een onderdeel van het hofstelsel (domaniale economie). Het klooster Prüm kan worden gezien als het verblijf van de heer en Arnhem e.o. als het grondgebied met een hof van waar het bestuur over de goederen plaats vindt en de bezittingen (land, boerderijen) zelf. In Arnhem moet het ‘hof van Prüm’ tussen de Grote of Eusebiuskerk en de Beekstraat (Jansbeek) gelegen hebben. De pastoor van de (Maartens)kerk trad op als beheerder van de kloosterbezittingen.
Het hofstelsel kent het systeem van ‘horigheid’: boeren die aan de grond en het hof zijn gebonden en diensten en producten leveren aan het hof en de heer. De laathoeve duidt hierop, evenals de betaling van belastingen en de horige diensten: ’14 dagen’ werk in de drukke maanden mei en augustus.
Dat monniken zich bezig hielden met ontginningen maakt de bron ook duidelijk; mansa absi wordt door Schulte (1994) vertaald als woeste hoeve; bij Verkerk ( p. 10) als ontginningshoeve. Schulte (1999) spreekt van ‘een verlaten hoeve in een ontginningsgebied’.



Naar boven

Achtergronden

Het Benedictijnenklooster te Prüm werd in de 8e eeuw gesticht. De eerste vermelding dateert uit 721 als een Frankische edelvrouwe, Bertrada de Oudere (de overgrootmoeder van Karel de Grote), het klooster in het leven roept. Het klooster kon het in die woelige dagen niet bolwerken. Pas in 752, op initiatief van koning Pippijn (de Jongere) en zijn vrouw Bertada (de Jongere), bewonen monniken permanent de abdij. Deze Bertrada van Laon, bijgenaamd Bertrada met de Grote Voeten, was een kleindochter van de eerdergenoemde Bertrada de Oudere en zou het leven schenken aan de beroemdste van alle Frankische koningen: Karel de Grote.

De Prümer Urbar, de goederenlijst van het Benedictijnenklooster te Prüm, is in haar oorspronkelijke vorm opgesteld door abt Regino van Prüm. Dit oorspronkelijke handschrift uit 893 is verloren gegaan. Wel bewaard is gebleven een kopie van de lijst uit 1222 geschreven door abt Caesarius van Milendonk. Hij voorzag de goederenlijst van commentaar, maakte de indeling in 118 hoofdstukken en schreef de tussenkopjes. Daardoor weten we dat Arneym in de 9e eeuw in de dertiende eeuw inmiddels is getransformeerd tot Arneheym. De pagina’s 42 en 43 van de Prümer Urbar bevatten linksonderaan en rechtsbovenaan hoofdstuk (caput) 98 (links onder in de kantlijn XCVIII). Dit hoofdstuk 98 bevat de complete hier afgedrukte tekst over Arnhem – Arneym - Arneheym.
Est in Arneym ecclesia I que solvit libram I, mansa ledilia VII.
Solvit unusquisque ad festivitatem cancti Martyni denarios XX, de sico modios II, ligne carradas III, ad Pascha pullum I, ova V, ad Rogationes procos II, valente denarios V, ad Pentecosten denarios VI, in mense Maio XIIII dies, in autumno similiter.
Sunt etiam mansa dimidia VI qui medietatem unusquisque solvit, nisi ad Pentecosten denarios VI non solvit; et in Willipe sunt mansus II unde nullum censum exit, nisi quarta pars annonae, et in Velide et Munihchusen sunt mansa V absa.
Uit: Prümer Urbar

De Latijnse tekst is op verschillende plaatsen te vinden:
Het eerst is de tekst gepubliceerd in::
Sloet, L.A.J.W. Baron (1872-1876). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff. Oorkonde nr. 66.
De Latijnse tekst staat ook in:
Verkerk, C.L. (1983). Arnhem van koningsgoed tot stad. In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983). Arnhem. Acht Historische Opstellen. Arnhem: Gouda Quint BV. pp. 1-40 ; pp. 34, noot 44.

De allereerste gedrukte uitgave van de brontekst was:
Beyer, H. (1860). Urkundenbuch zur Geschichte der jetzt die Preussischen Regierungsbezirke Coblenz und Trier bildenden mittelrheinischen Territorien. Aus den Quellen herausgegeben von Heinrich Beyer. Erster Band. Von den ältesten Zeiten bis zum Jahre 1169. Coblenz: J. Hölscher. pp 142-201. Arneym op p. 190.

In 1980 voltooide Ingo Schwab zijn proefschrift over het Urbar. Daarin is ook de volledige brontekst opgenomen en de verschrijvingen en vergissingen van Beyer gecorrigeerd.
Schwab, I. (1983). Das Prümer Urbar. Düsseldorf: Droste Verlag / Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde. (Rheinische Urbare band 5, Publikationen der Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde band 20).


Bij het 1100 jarig bestaan van het Urbar is een bundel verschenen met de nieuwste inzichten: Nolden, R. (red.) (1993). „Anno verbi incarnati DCCCXCIII conscriptum“ – Im Jahre des Herrn 893 geschrieben. 1100 Jahre Prümer Urbar. Trier: Geschichtsverein Prümer Land.



Naar boven

Pippijn en Karel


Voorblad Prumer Urbar 



Naar boven

Op één van de drie gekleurde afbeeldingen van de Prümer Urbar zijn koning Pippijn (links) en zijn zoon Karel de Grote (rechts) onder toeziend oog van Christus als stichters van de abdij afgebeeld.
Een andere afbeelding toont de grafbijzetting (855) van keizer Lotharius in het klooster van Prüm. Lotharius was de zoon en opvolger van Karel de Grote.
De derde afbeelding toont de schrijvers van het Prümer Urbar.


 

Graflegging Lotharius Prumer Urbar



Naar boven

Literatuur

Aalbers, P.G. (1998). Justitiae Sacrum. Zeven eeuwen rechtspraak in Arnhem. Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 18-21.

Beyer, H. (1860). Urkundenbuch zur Geschichte der jetzt die Preussischen Regierungsbezirke Coblenz und Trier bildenden mittelrheinischen Territorien. Aus den Quellen herausgegeben von Heinrich Beyer. Erster Band. Von den ältesten Zeiten bis zum Jahre 1169. Coblenz: J. Hölscher. pp 142-201. Arneym op p. 190.

Haans, F.A.C. & Frank, C.J.B.P. (2003). De ondergrondse stad. Een tocht door de Arnhemse kelders.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 12-15.

Nolden, R. (red.) (1993). „Anno verbi incarnati DCCCXCIII conscriptum“ – Im Jahre des Herrn 893 geschrieben. 1100 Jahre Prümer Urbar. Trier: Geschichtsverein Prümer Land.

Schulte, A.G. (1994). De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van de stad. Utrecht: Uitgeverij Stichting Matrijs. p. 35.

Schulte, A.G. & Schulte-van Wersch, C.J.M. (1999). Monumentaal groen. Kleine cultuurgeschiedenis van de Arnhemse parken. Utrecht: Uitgeverij Matrijs. p. 33.

Schwab, I. (1983). Das Prümer Urbar. Düsseldorf: Droste Verlag / Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde. (Rheinische Urbare band 5, Publikationen der Gesellschaft für Rheinische Geschichtskunde band 20).

Sloet, L.A.J.W. Baron (1872-1876). Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen, tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff.

Verkerk, C.L. (1983). Arnhem van koningsgoed tot stad. In: Bemmel, H.C. van, e.a. (1983) Arnhem. Acht Historische Opstellen. Arnhem: Gouda Quint BV. pp. 1-40; pp. 9-12, 34.

Verkerk, C.L (1983). Machten in het middeleeuwse Arnhem. In: Manheim, R. (Ed.), Arnhem na 750 jaar. Machten, ervaringen, toekomsten. Arnhem: Gemeentemuseum Arnhem. pp. 4-10; p. 5.



Afbeeldingen Prümer Urbar: Landeshauptarchiv Koblenz, inventarisnummer LHK 2087



Naar boven

Printerversie