Startpagina
Geschiedenis tot 1900
Geschiedenis 1900 - heden
Vesting Arnhem
Monumenten binnenstad
Monumenten buitenstad
Kerk, Klooster, Graf
Scholen
Straten en Pleinen
Sonsbeek en Zijpendaal
Architecten
Verdwenen monumenten
Ambacht en Industrie
Verkeer en Vervoer
Kaarten en Plattegronden
Gezichten op Arnhem
Arnhemmers
    Escher, Maurits; graficus
    Hepburn, Audrey; filmster
    Lindo, Isaac Anne; 1e directeur Gemeentewerken
Bronnen
Thema's
Wandelen en Fietsen
Sitemap
Contact

Lindo, Isaac Anne; 1e directeur Gemeentewerken

Arnhemse geboorte

Isaac Anne Lindo werd in 1848 in Arnhem geboren als zoon van Mark Prager Lindo en Johanna Nijhoff. De ouders van Isaac Anne waren bekende Arnhemmers. Zijn, in 1819 in Londen geboren vader, was leraar Engels aan het plaatselijk gymnasium en schreef onder het pseudoniem De Oude Heer Smits licht-satirische stukjes over dagelijkse gebeurtenissen in de Arnhemsche Courant. Zijn moeder was een dochter van de uitgever en archivaris Isaac Anne Nijhoff. Aan hem dankte Isaac Anne zijn voornamen.
Vader Mark Prager Lindo ontving in januari 1854 de doctorstitel van de Universiteit Utrecht na een presentatie en verdediging van stellingen op het toneelstuk Macbeth van William Shakespeare.


 


Naar boven

Ingenieursopleiding

Vooruitlopend op het verkrijgen van de doctorstitel in de letteren was vader Lindo in 1853 als leraar, en later hoogleraar, in de moderne taal en letterkunde benoemd aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Het gezin, met de vijfjarige Isaac Anne, verhuisde daarom naar het nabij Breda gelegen dorp Ginneken.
In 1865 ging het gezin in Den Haag wonen, omdat vader Mark Prager een benoeming als inspecteur voor het lager onderwijs in Zuid-Holland had aanvaard.
In Breda bezocht Isaac Anne Lindo de opleiding van de militaire academie. Na de verhuizing naar ’s Gravenhage volgde hij in Delft de polytechnische school.



Naar boven

Japans water

Als 24-jarige ingenieur kreeg Isaac Anne de kans om tussen 1872 en 1875 in Japan te werken. Dat land was bezig met een moderniseringsinhaalslag. Vanuit verschillende Europese landen werden technici en ingenieurs gehaald. Voor de waterhuishouding werd een beroep gedaan op Nederlandse ingenieurs. Naast Isaac Anne Lindo waren dat o.a. Johannis de Rijke (1842-1913) en George Arnold Escher (1843-1939). Escher werd in 1898 vader van de latere wereldberoemde graficus M.C. Escher. Tussen Lindo en Escher is ook een Arnhemse relatie. Het gezin Escher woonde tussen 1903 en 1918 in Arnhem, de geboorteplaats van Isaac Anne.
Als onderdeel van zijn werk in Japan stelde Lindo het Tokio Peil vast, dat de standaard zou worden voor hoogtemetingen in het hele land.



Naar boven

Arnhemse riolering

In Lindo’s Japanse jaren rommelde het op stedenbouwkundig gebied nogal in zijn geboortestad Arnhem. Na een fikse ruzie met de Arnhemse gemeenteraad had stadsarchitect Frederik Willem van Gendt in 1866 zijn ontslag ingediend. De gemeenteraad had het hem verboden nog particuliere opdrachten aan te nemen en daar kon Van Gendt zich niet mee verenigen. De nieuwe stadsarchitect A. van Cuylenburgh jr. stond onder toezicht van een gemeentelijke Commissie van Bijstand, wat een slagvaardig en visionair optreden onmogelijk maakte.
In diezelfde jaren groeide de bevolking van Arnhem stormachtig, maar bleef een planmatige woningbouw en aanleg van bijbehorende voorzieningen als waterleiding, vuilafvoer en riolering achterwege. De Commissie van Bijstand schrok steeds er voor terug om hier de benodigde investeringen voor uit te trekken. In 1862 waren de plannen van Van Gendt voor een rioleringsstelsel al afgewezen en hetzelfde lot troffen de voorstellen uit 1872 van prof. N.H. Henket uit Delft. De gemeenteraad schrok terug voor de kosten van fl 529.000,00 In plaats van een ondergronds riolenstelsel werd in 1874 besloten om een goedkoper open goten stelsel aan te leggen, een aanpak waar zowel Van Gendt en Henket felle tegenstanders van waren. Huisafvalwater en regenwater stroomden door stenen gootbanden (van Duits Niermendiger steen) langs de trottoirs naar enkele aansluitingsputten (syphons). Slechts onder de hoofdwegen van de stad werden riolen geplaatst die in verbinding stonden met de aansluitingsputten. De weinige riolen loosden het afvalwater in de overblijfselen van de stadsgrachten, die weer in verbinding stonden met de Rijn.
De open goten waren een weinig verheffend en hygiënisch gebeuren, vooral bij grote hoeveelheden vuil huiswater en hevige regenval. Helemaal erg was de toestand in de winter als het afvalwater in de open goten bevroor. Het vuile water stroomde dan over de straat. In de zomer was het in sommige straten daartegenover niet uit te houden vanwege de stank.
Ook werd in 1874 de stadsreiniging in eigen gemeentebeheer genomen, maar de activiteiten werden door de gemeenteraad danig beperkt. Er werden twee mestbergplaatsen aangewezen waar het ambachtelijk en huishoudelijk afval, inclusief de menselijke poep en pies naar toe werd gebracht. Vijf jaar later bleek het nodig om een derde terrein voor het afval te bestemmen.
Het gemeentebestuur wilde, twintig jaar na het vertrek van Van Gendt, alsnog de ergste problemen het hoofd bieden. Dit inzicht werd gevoed door de erbarmelijke woonomstandigheden in Klarendal en een grote difterie- en tyfusepidemie in 1883. Er kwamen plannen om een Dienst Gemeentewerken in het leven te roepen. Als leidinggevende was niet zozeer behoefte aan een nieuwe architect, maar meer aan een stedenbouwkundig/civieltechnisch ingenieur. Daarop werd Isaac Anne Lindo op 29 mei 1886 benoemd tot de eerste directeur Gemeentewerken in Arnhem. De dienst zelf trad formeel op 1 mei 1887 in werking.
Lindo haalde direct de oude afgewezen rioleringsplannen van Van Gendt en Henket voor de dag om een eind te maken aan het open gotenstelsel. Lindo moest de plannen sterk moderniseren en stond in Arnhem daarbij voor serieuze technische problemen. De grote hoogteverschillen in de stad en de zware en hoge spoordijk, die de binnenstad scheidde van de uitdijende woongebieden ten noordoosten van de stad (Klarendal, Steenstraat-Velperweg en het latere Spijker- en Boulevardkwartier), maakten de rioleringsaanleg niet tot een simpele klus. Lindo combineerde de nieuwe rioleringsplannen met een sanering van de ergste woongedeeltes van Klarendal. Over de omgeving van de Akkerstraat en Putstraat rapporteerde hij aan B&W:
“Er is niet veel noodig dan een enkel bezoek aan deze straten en terreinen, om al dadelijk tot de overtuiging te komen, dat geen noemenswaardige verbetering in den toestand is te brengen zonder zeer ingrijpende maatregelen. Het bedoelde stratencomplex vormt het treurigste deel van het op zoo jammerlijke wijze bebouwde Klarendal. Alleen door een onteigening op ruime schaal en het traceeren van nieuwe wegen in het onteigende gedeelte is op afdoende wijze verbetering in den bestaanden toestand te brengen.”
Uiteindelijk stemde de gemeenteraad in met de plannen voor de sanering van het gebied ten noorden van de Klarendalseweg en trok daar fl 312.000,00 voor uit.
Onder Lindo’s leiding nam men het werk voortvarend ter hand, maar Lindo zelf besloot om de voltooiing niet mee te maken. In ’s Gravenhage was men op de hoogte van de kwaliteiten en wapenfeiten van Lindo en het Haagse stadsbestuur vroeg hem in 1890 om directeur van de Haagse Dienst Gemeentewerken te worden. Lindo verkreeg per 1 mei 1890 eervol ontslag uit Arnhemse dienst om te kunnen terug te keren naar zijn vroegere woonplaats Den Haag. Lindo’s werk in Arnhem, waaronder ook de stedenbouwkundige plannen rondom het aan te leggen Burgemeesterskwartier, werd in 1891 voortgezet en uitgebreid door de nieuwe directeur Gemeentewerken J.W.C. Tellegen.



Naar boven

Haagse duinen en plannen

In Den Haag werd in 1891, vlak na de komst van Lindo, de aanleg van de Westduinweg voorbereid. Daarbij zou een hoog duin worden weg gegraven. Zonder wethouder mr. J.H.C. Lisman in te lichten, liet Lindo aannemer Jan van der Plas het wegprofiel zo veranderen dat met een scherpe bocht in de weg het duin gespaard kon worden. Dit wekte wrevel bij de wethouder die vond dat het duin "weg" had moeten zijn. Het duin was een zo geliefde speelplaats dat het in 1936-1938 als werkverschaffingsobject moest worden opgehoogd en gerestaureerd. De naam Lindoduin was al enige jaren onofficieel in gebruik totdat hij op 23 maart 1938 door de wethouder van openbare werken en gemeentebedrijven in aanwezigheid van de 90-jarige Lindo werd vastgesteld. Ten behoeve van woningbouw werd het duin in 1965 toch afgegraven en werden de complexen Hoog en Laag Lindoduin gebouwd. De bewoners hadden aanvankelijk last van toeristen die van de hoogte gebruik maakten om een uitzicht over zee en stad te hebben. De naam werd als straatnaam in 1967 vastgesteld.
Isaac Anne Lindo was van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van Den Haag. Hij speelde een belangrijke rol bij het verbeteren van het rioolstelsel, de waterbeheersing en de stedenbouwkundige uitleg van de stad. In zijn periode kwamen de Binnenhavens en de Scheveningse haven tot stand. Daarnaast werden er diverse doorbraken in het centrum gerealiseerd (o.a. Grote Marktstraat) en gewerkt aan uitbreidingsplannen (inclusief het bijbehorende wegenstelsel) zoals het Statenkwartier. Op veel plekken in de stad is de invloed van Lindo dan ook terug te vinden, die in 1941 in ’s Gravenhage overleed.



Naar boven

Familie van Isaac Anne Lindo

“Ik ben een achterkleinzoon van Isaac Anne Lindo, die enige tijd directeur Gemeentewerken in Arnhem was. Volgens mij was hij ook degene die een begin gemaakt heeft aan het Arnhemse rioleringsstelsel. Later als Directeur Gemeentewerken hield hij zich ook bezig met de eerste aanleg van de riolering, maar ook later met de Stadsuitleg aldaar en Hij werkte met Berlage samen aan een , niet gerealiseerd plan voor een ‘Modern Den Haag. Ook was Isaac Anne als Ingenieur werkzaam in Japan, waar hij het Japans Peil vastlegde. Hij behoorde tot de Groep Watermannen, de eerste Nederlandse ingenieurs in Japan, waar Louis Van Gasteren een documentaire over heeft gemaakt en een boek heeft gepubliceerd.
Isaac Anne was de zoon van Mark Prager Lindo, die onder de nom de Plume ‘De Oude Heer Smits” een schrijver was  in de Arnhemse courant, docent Engels aan het Stedelijk Gymnasium dat ik in de jaren zeventig van de vorige eeuw bezocht, met Lodewijk Mulder oprichter van de Nederlandsche Spectator. Isaac Anne Lindo dankt zijn voornaam vast aan zijn grootvader Isaac Anne Nijhof, uitgever te Arnhem.”

Philip Lindo, mailcorrespondentie 16-2-2007



Naar boven

Literatuur

Busken Huet, Cd. (z.jr.). Dr. M.P. Lindo.
In: Busken Huet, Cd. (z.jr.). Litterarischen fantasien en kritieken deel 7, pp 178-184.

Crone, C.F.A. & Vredenberg, J. (2007). De Burgemeesterswijk. Wonen op stand bij Park Sonsbeek in Arnhem.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. p. 12.

Fockema, D., Hogerlinden J.G.A. & Wal, G. van der (1913). Gedenkboek van Arnhem 1813-1913.
Rotterdam: N.V. W.N.J. van Ditmar’s Uitgevers Maatschappij. pp. 115.

Gasteren, L. van e.a. (red.) (2000). In een Japanse stroomversnelling. Berichten van Nederlandse watermannen-rijswerkers, ingenieurs, werkbazen 1872-1903. Zutphen: Walburg Pers / Amsterdam: Eurobook.

Gasteren, L. van (red.) (2003). 'Die eeuwige rijst met Japansche thee', brieven uit Japan van Nederlandse watermannen, 1872-1903. Amsterdam: Uitgeverij Bas Lubberhuizen / Eurobook.

Koene, J. (1993). De oude heer Smits, Mark Prager Lindo (1819-1877).
URL, februari 2007: http://www.jeankoene.nl/pdf/ws01_h06.pdf

Knap, W. W.G.Zn. & Vergouwe, G.F.C. (1933). Arnhem 1233-1933. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Arnhems’ stedelijk bestaan.
Arnhem: N.V. Drukkerij en Uitgevers-Maatschappij De Vlijt. pp. 199-200.

Lavooij, W. (1990). Twee eeuwen bouwen aan Arnhem. De stedebouwkundige ontwikkeling van de stad.
Zutphen: De Walburg Pers. pp. 47, 58, 59, 64, 66.

Ranft, F.R. (2004). Nutsvoorzieningen.
In: Meurs, M.H. van e.a. (Eds.) (2004). Arnhem in de twintigste eeuw.
Utrecht: Uitgeverij Matrijs. pp. 144-159, p. 159 (dit gedeelte over de riolering i.s.m. J. Sondaal en J. Morsink).

Riele, A.W. te (1987). Geschiedenis van de dienst.
In: 100 jaar werk in uitvoering 1887-1987. Gedenkboek Gemeentewerken - Arnhem.
Arnhem: Dienst van Gemeentewerken Arnhem, 1987, pp. 11-44.

Sondaal, J.L.J. (1987). Niet alleen bovengronds.
In: 100 jaar werk in uitvoering 1887-1987. Gedenkboek Gemeentewerken - Arnhem.
Arnhem: Dienst van Gemeentewerken Arnhem, 1987, pp. 131-144.

Stenfert Kroese, H.E. & Neijenesch, D. W. (1919). Arnhem en zijn toekomstige ontwikkeling.
Arnhem: Thieme. pp. 82-83.

Tellegen, J.W.C. (1987). Een en ander over Arnhem gedurende de laatste vijftig jaren.
In: 100 jaar werk in uitvoering 1887-1987. Gedenkboek Gemeentewerken - Arnhem.
Arnhem: Dienst van Gemeentewerken Arnhem, 1987, pp. 45-72, pp. 56-61.

Willemsen, J.Th. W. (1969). De volkshuisvesting in Arnhem 1829-1925.
Arnhem: Gemeentearchief Arnhem. pp. 19-24.



Naar boven

Printerversie